new icn messageflickr-free-ic3d pan white
View allAll Photos Tagged ommatidien

#7 on Explore July 5th 2009

  

+ 2x Teleconverter, full size here slehmann.de/photoblog/index.php?showimage=180

Facettenaugen

Diese bestehen aus bis zu 6.000 kleinen Einzelaugen (Ommatidien)

(after editing in Lightroom)

Watch in full size, to see all details (right click on the picture)

 

more colorful version: www.flickr.com/photos/88264616@N02/8105067386/in/set-7215...

(after editing in Lightroom)

Watch in full size, to see all details (right click on the picture)

De kruisspin (Araneus diadematus) is een middelgrote spin die behoort tot de familie wielwebspinnen (Araneidae).

De kruisspin is in tegenstelling tot veel andere spinnen geen schuwe soort, maar eentje die vaak midden in het web zit en moeilijk over het hoofd is te zien. De spin wordt ook relatief groot tot zo'n 17 millimeter. De naam is te danken aan de op een kruis gelijkend patroon op het achterlijf dat bestaat uit een groepje lichtere tot witte vlekjes die afsteken tegen de donkerbruine tot gele achtergrondkleur. De kruisspin is in Europa een van de meer algemene soorten en de spin komt ook in België en Nederland voor. Omdat de kruisspin in beschaduwde, van de wind afgeschermde hogere planten leeft duikt de spin vaak op in tuinen en hierdoor is het een van de bekendste Europese spinnen.

De kruisspin bouwt het web op enige hoogte en vangt voornamelijk vliegende insecten. De spin wordt zelf gegeten door insecteneters zoals vogels. De levenscyclus is tweejarig; de paring vindt plaats in de herfst en de eitjes overwinteren. In de lente komen ze uit en pas het volgende jaar worden de spinnen volwassen.

De kruisspin is door de Europese Arachnologische Vereniging uitgeroepen tot spin van het jaar 2010.

 

Verspreiding:

De kruisspin komt voor in zowel Noord-Amerika als in grote delen van Europa. In Noord-Amerika heeft de spin een groot verspreidingsgebied in het noorden, op de grens tussen de Verenigde Staten en Canada. De spin komt voor van het oosten in New Engeland tot in het westen in Brits-Columbia, Washington en Oregon.

In Europa komt de kruisspin voor van noordelijk Scandinavië tot in landen aan de Middellandse Zee. In Groot-Brittannië komt de spin overal voor op enkele locaties in noordelijk Schotland na. Op het eiland Ierland is de spin echter zeer zeldzaam en is hij alleen bekend van enkele verspreide populaties in het noorden.

In België en Nederland komt de soort overal algemeen voor. In Nederland is de spin ook aangetroffen op de Waddeneilanden.

 

Kenmerken:

Lichaamsdelen van een kruisspin:

A = poten

B = achterlijf

C = kopborststuk

D = ogen

E = kaak

F = palp

 

De kruisspin heeft geen typische kleur; er is veel variatie. De meeste exemplaren zijn bruin tot roodbruin van kleur maar ook afwijkende kleuren als geel, rood en oranje komen voor. Op het achterlijf is vrijwel altijd een wit kruis te zien.

De kruisspin kent net als veel andere spinnen een sterke seksuele dimorfie; dit wil zeggen dat de mannetjes en de vrouwtjes er totaal anders uitzien. [8] Als de spinnen net uit het ei komen is het geslacht niet vast te stellen maar bij de volwassen exemplaren zijn de vrouwtjes veel groter dan de mannetjes. De vrouwtjes bereiken een lichaamslengte van 12 tot 17 millimeter, exclusief poten, terwijl de mannetjes ongeveer 5 tot 10 millimeter lang worden. [6] Als de spinnen nog jong zijn, verschillen de mannetjes en wijfjes niet veel van elkaar. Na verloop van tijd groeien de wijfjes harder dan de mannetjes. In de zomer van hun tweede levensjaar, als de wijfjes volwassen worden, groeien ze zeer snel. Mannetjes hebben naar verhouding langere poten maar een beduidend kleiner achterlijf dan een vrouwtje. Vooral vrouwtjes die eieren dragen hebben een opvallend dik achterlijf.

Wat direct opvalt aan de spin zijn de vier paar lange poten. De poten dragen een stekelige beharing, de haartjes hebben een tastzintuiglijke functie. De kleur van de poten is bruin met afwisselende lichte banden. De poten bestaan net als bij andere spinnen uit zeven segmenten, waarvan de uiteinden de tarsen worden genoemd. Deze dragen kleine klauwtjes waarmee de spin zich aan de ondergrond hecht. Het voorste paar poten is het langst en wordt gebruikt om de omgeving af te tasten.

Het lichaam van de spin is verdeeld in twee zichtbare delen, de achterzijde wordt het achterlijf of abdomen genoemd en de voorzijde bestaat uit de met het borststuk gefuseerde kop, het kopborststuk of cephalothorax. Het kopborststuk is lichter gekleurd dan het achterlijf en ongevlekt. Aan de voorzijde van het kopborststuk zijn de ogen gelegen, de kruisspin heeft er acht in totaal. Aan de voorzijde zijn vier oogjes gelegen die iets van elkaar staan, aan weerszijden van de kop zijn steeds twee oogjes aanwezig die dichter tegen elkaar liggen. De ogen zijn donker van kleur en glanzend, ze doen kraalachtig aan. De ogen bestaan uit een enkele structuur met ieder een eigen lens, de ogen worden bij spinnen wel puntoogjes of ommatidiën genoemd. Aan de onderzijde van de kop bevinden zich twee paar kaken, (E) de bovenkaken zijn voorzien van klauw-achtige structuren en bevatten een gifkanaal, de gifklieren zijn gelegen in het kopborststuk. De spin neemt voedsel op door eerst verteringssappen in de prooi te brengen en deze vervolgens weer op te zuigen. Hierbij wordt de prooi al deels buiten het lichaam van de spin verteerd. De palpen hebben een zintuiglijke functie en worden door de mannetjes van veel soorten gebruikt als spermacapsule.

 

Achterlijf:.

Het achterlijf is bolvormig en rond van vorm, aan de achterzijde zijn zowel bij mannetjes als vrouwtjes altijd drie paar spintepels aanwezig. Dit zijn de uitscheidingsorganen waarmee het spinnenweb wordt gebouwd, maar ook prooien en eicocons worden omwikkeld. De spintepels kunnen verschillende soorten draden produceren; stevige en niet-kleverige draden om het frame van het web te maken en de eitjes te voorzien van een beschermende laag spinsel en kleverige vangdraden om prooien in het web te vangen.

De kruisspin is te herkennen aan de lichte vlekken op de bovenzijde van het achterlijf. Vrijwel alle exemplaren hebben een duidelijk kruisvormige groepering van de vlekken, slechts bij sommige exemplaren ontbreekt het kruis. Op de afbeelding is het vlekpatroon van een willekeurig exemplaar weergegeven in rustpositie; dus met de kop naar beneden. Het kruis wordt gevormd door een groep lichtere tot witte vlekken, die bestaan uit twee verticaal langwerpige vlekken aan de boven- en onderzijde en twee horizontaal langwerpige vlekken aan weerszijden. Daar waar de vlekken samenkomen is een vlek in het midden aanwezig. Aan weerszijden van de kleine vlek zijn twee vlekken aanwezig, waarbij de linkervlek vaak kleiner is dan die aan de rechterzijde. Boven de groep vlekken die het kruis vormen, wordt het kruismotief herhaald door kleinere ronde vlekjes.

De lichtere vlekken worden niet veroorzaakt door pigmenten maar door onder de huid gelegen cellen die gevuld zijn met guaninekristallen. De cellen die de kristallen bevatten worden wel guanocieten genoemd. Guanine ontstaat als afvalstof van de spijsvertering en wordt omgezet in kristallen en opgeslagen in de guanocieten. De kristallen weerkaatsen alle licht waardoor ze wit aandoen, de bovengelegen huidlaag is doorzichtig zodat ze goed opvallen.

 

Onderscheid met andere soorten:

De kruisspin lijkt enigszins op de eikenbladspin (Aculepeira ceropegia). Deze soort heeft echter een iets ander patroon op de rug, dat doet denken aan een vlampatroon. De eikenbladspin blijft kleiner en overwintert als jonge spin en niet als ei. Ook de viervlekwielwebspin (Araneus quadratus) lijkt door de vier lichtere vlekken op de kruisspin maar heeft een duidelijk boller achterlijf. Andere wielwebspinnen lijken niet op de kruisspin doordat ze bijvoorbeeld uitsteeksels hebben op het achterlijf, zoals de schouderkruisspin (Araneus angulatus) of een afwijkende lichaamsvorm hebben, zoals de platte wielwebspin (Nuctenea umbratica). Sommige wielwebspinnen zijn door hun andere kleuren gemakkelijk te onderscheiden, zoals de geelgestreepte wespspin.

 

Levenswijze:

De kruisspin moet net als alle geleedpotigen regelmatig vervellen om te kunnen groeien, hiertoe wordt het harde exoskelet vervangen door een nieuwe laag die de eerste tijd nog rekbaar is zodat het lichaam groter kan worden. Het exoskelet wordt in één keer afgeworpen tijdens de vervelling waarbij de nieuwe huid nog zacht is en dit geldt ook voor de poten en de kaken. De kruisspin is hierdoor erg kwetsbaar voor aanvallen van vijanden en trekt zich enige tijd voor de vervelling terug op een beschutte plaats en komt pas tevoorschijn als het lichaam is uitgehard.

De kruisspin is een groot deel van het leven bezig met het bouwen van een web. Het web is vergelijkbaar met dat van andere wielwebspinnen, deze familie van spinnen bouwt een vierkant frame met een spiraalvormige vangdraad in het midden die ondersteund wordt door een aantal draden die van het frame naar het midden van het web lopen en doen denken aan spaken. Het web in zijn geheel lijkt hierdoor op een fietswiel waaraan de naam van de spinnen te danken is. Het web raakt gemakkelijk beschadigd en snel vervuild, bovendien drogen de spinseldraden snel uit zodat het web iedere dag vervangen moet worden. Ook na iedere vangst moet het web gerepareerd worden omdat een spartelend prooidier het web beschadigt.

Bij het bouwen van het web wordt eerst een verticale draad gespannen die de brugdraad wordt genoemd. Vervolgens worden aan de onder- en bovenzijde twee horizontale draden gesponnen waarbij deze weer worden verbonden door een verticale draad aan de andere zijde. Zo is een vierkant ontstaan, waarbij een draad in het midden van boven naar beneden wordt gemaakt. Vervolgens maakt de spin draden van het midden van het web naar de randen van het vierkant, die lijken op spaken. Deze worden tenslotte verbonden door een spiraalvormige, kleverige vangdraad.

 

Voortplanting:

Jonge spinnetjes blijven bij elkaar maar bij verstoring rennen ze alle kanten op.

Aan het einde van de zomer is de kruisspin volwassen. Eenmaal volwassen maken de spinnen veel grotere webben dan jonge spinnen, waardoor ze goed opvallen. De vrouwtjes blijven in hun web terwijl mannetjes naar een vrouwtje op zoek gaan. De paring is voor een mannetje een hachelijke zaak; hij moet omzichtig te werk gaan om niet als prooi gezien te worden. Het mannetje is aanmerkelijk kleiner dan het vrouwtje en moet haar laten weten dat hij geen prooi is. Het mannetje produceert krijgt voor elkaar door trillingen te maken in het web van het vrouwtje.

De paring van spinnen is uitwendig, het mannetje heeft aan de monddelen of pedipalpen een ballonnetje wat de bulbus wordt genoemd. Deze heeft een pipet-achtige werking zodat sperma kan worden opgezogen en later in het vrouwelijke geslachtsorgaan of epigine kan worden afgegeven. Zowel de palp van het mannetje als de epigyne van het vrouwtje hebben bij de kruisspin een precies in elkaar passende vorm, zodat met de palp van een mannelijke kruisspin alleen in de epigine van een vrouwelijke kruisspin kan worden gebracht. Dit wordt nog versterkt door de stekels en haken die de palp draagt. Als de palp is gevuld met wordt het als een spermapakketje of spermatofoor ingebracht.

Tijdens de paring probeert het mannetje het vrouwtje zo snel mogelijk te bevruchten, dan loopt hij de minste kans om te worden opgegeten. Als het mannetje weet te ontsnappen kan hij nog een tweede keer paren, de mannetjes worden niet altijd opgegeten.

Na de bevruchting wordt het sperma opgeslagen in een speciaal kamertje, de spermatheek. Het vrouwtje heeft een gepaarde eileider waar de eicellen worden bevrucht en de eieren worden gevormd. Hierbij zwelt het achterlichaam enorm op. De eitjes worden afgezet in een cocon, die bestaat uit een ronde schijf van spinsel waarvan de zijkant wordt voorzien van een opstaande rand. Nu ontstaat een kamertje waarin de eitjes worden afgezet. De grootte van de cocon correleert met de grootte van de spin; een klein exemplaar zal een kleinere cocon bouwen. Dit geldt echter niet voor het aantal eitjes, dat varieert van enige tientallen tot honderden eitjes. Als de cocon af is, wordt deze voorzien van pluizige spinseldraden ter bescherming. De cocon wordt de eerste tijd bewaakt door het vrouwtje waarbij eventuele beschadigingen worden gerepareerd. De eicocons worden in herfst afgezet op verborgen plekken in planten en zie er uit als een pluk watten met in het midden de gelige eitjes. Het vrouwtje stopt met jagen en sterft vaak korte tijd nadat haar eiercocon is afgezet.

De eieren overwinteren; in de lente komen de jonge spinnetjes tevoorschijn, ze hebben een kenmerkende gele lichaamskleur en houden zich de eerste dagen op in een van spinsel gemaakt nest. Het groepje jonge kruisspinnen verspreid zich als het nest wordt verstoord om enige tijd later weer samen te komen. De jonge kruisspinnen of spiderlings leven de eerste tijd van het voedsel in hun dooier; hier doen ze ongeveer 7 tot 10 dagen mee. Daarna klimmen ze zo hoog mogelijk in een plant en laten ze uit hun achterlijf een lange draad de lucht in zweven. Deze draad wordt door de wind opgepakt en neemt de jonge spin mee de lucht in. Zo verspreiden de kleine spinnetjes zich -terwijl ze niet kunnen vliegen- door de lucht en kunnen honderden meters verder terechtkomen. De jonge spinnen maken een web dat al direct lijkt op dat van volwassen exemplaren, al het is het nog veel kleiner.

 

Ecologie:

De kruisspin bouwt zijn web op open plekken tussen lage boomtakken of in struiken, die echter van de wind zijn afgeschermd. Het web wordt gemakkelijk door regen en wind vernietigd waardoor de spin alleen voorkomt op beschutte plaatsen. Tuinen van mensen zijn voor de kruisspin ideaal, omdat deze vaak hogere begroeiing bevatten en relatief goed zijn afgeschermd van felle zon en van wind door het naastgelegen huis.

De kruisspin heeft een vochtige leefomgeving nodig en kan slecht tegen droogte en komt vooral voor in laaglanden. Een andere weersomstandigheid waar de spin onder lijdt is hevige regenval.

 

Voedsel:

Met het web, waarin de spin gewoonlijk ondersteboven in het centrum zit te wachten, wordt het voedsel gevangen. Het web wordt dagelijks opnieuw gesponnen, dit duurt ongeveer 20 minuten. Het is een wielvormig web waarbij het centrum zich iets boven het midden bevindt met een grote mate van symmetrie.

Het web wordt gemaakt op enige hoogte en bevindt zich vaak tussen twee takken. Sommige spinnen jagen op bodembewonende prooien en maken geen web, een voorbeeld is de wolfspin. Andere soorten hebben zich gespecialiseerd in het vangen van springende insecten die zich bij de bodem bevinden en jagen op bijvoorbeeld sprinkhanen zoals de wespspin. De kruisspin bezet een andere niche en bouwt het web op enige hoogte boven de bodem in struiken en lagere takken van bomen. Het web van de kruisspin is geschikt om vliegende insecten te vangen, zowel kleine als wat grotere vliegende insecten. Bekende prooien zijn vliegen en muggen, wespen en bijen maar ook grotere insecten zoals vlinders worden gegeten. Heel kleine prooien die in het web geraken, zoals bladluizen, worden genegeerd.

Zodra een prooi het web invliegt wordt de spin gealarmeerd door de trillingen van de draden van het web. Deze draden dienen speciaal om te spin te alarmeren en worden de signaaldraden genoemd. De spin snelt zich naar de prooi en wikkelt deze snel in spinsel. Pas daarna wordt een beet toegediend die de prooi verlamd. De ingepakte prooi wordt vervolgens uit het web gehaald en wordt in een schuilplaats van de spin opgegeten.

In de zomer van hun tweede levensjaar zijn de wijfjes zo groot dat ze een web van ongeveer 60 cm doorsnede maken. De spinnenwebben zijn voornamelijk tegen het eind van de zomer goed zichtbaar; de spinnen zaten er reeds lange tijd maar hun webben zijn nu veel groter geworden. Vooral bij vochtige weersomstandigheden zijn de webben duidelijk te zien doordat ze bedekt zijn met dauwdruppels waardoor ze een zilverachtige glans krijgen. Het grootste deel van de volwassen spinnen overleeft de eerste nachtvorst niet.

 

Vijanden:

De voornaamste vijanden van de kruisspin zijn verschillende insectenetende vogels, die de spin uit het web plukken. Ook verschillende andere spinnen zijn vijand, voornamelijk de spinneneters. Dit zijn spinnen die exclusief op andere spinnen jagen en in hun eigen web aanvallen, zoals de soorten uit het geslacht Ero. Daarnaast zijn kruispinnen kannibalistisch en eten kleinere soortgenoten op. Niet alleen mannetjes die met een vrouwtje willen paren moeten uitkijken, ook als twee vrouwtjes elkaar tegenkomen vallen ze elkaar aan en proberen elkaar in te spinnen.

Bij verstoring begint de spin hevig verticaal heen- en weer te schudden in het web door spiercontracties van de poten. Bij ernstige verstoring laat de spin zich loodrecht naar beneden vallen waarbij het lichaam met een spindraad wordt geankerd. De spin houdt zich op de bodem een tijdje schijndood waarbij de poten worden ingetrokken. Na enige tijd klimt de spin weer naar boven waarbij de ankerdraad wordt gebruikt.

Kruisspinnen hebben gifkaken maar gebruiken deze alleen om op prooien te jagen en niet om vijanden af te weren. Alleen als een spin tussen de vingers wordt vastgeklemd zal deze in het uiterste geval bijten wat pijnlijk is maar niet gevaarlijk.

De grootste vijand van de spinnen is het klimaat; ze lijden vooral onder droogte en zware regenval. Ook de mens is een belangrijke vijand omdat deze spinnen doodt en hun web vernielen. De spinnen moeten ook opletten voor sommige sluipwespen zoals de spinnendoders, die de spin verlammen en naar het nest brengen meestal een holletje onder de grond. In de verlamde spin wordt vervolgens een ei afgezet, als de larve van de sluipwesp uit het ei kruipt wordt de kruisspin levend en van binnenuit opgegeten.

 

Naamgeving en taxonomie:

De kruisspin werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven in 1757 door Carl Alexander Clerck als Araneus diadematus. De soort werd later beschreven door Linnaeus als Aranea diadema maar omdat de eerste naam telt is deze laatste naam vervallen. Ook werd de soort vroeger tot het geslacht Epeira gerekend, maar dit is achterhaald. De wetenschappelijke naam Araneus diadematus betekent vrij vertaald spin (Araneus) met een kroontje (diadematus) wat slaat op de karakteristieke vlekkentekening op het achterlijf. Ook de Nederlandse naam is te danken aan het witte 'kruis' op de bovenzijde van het achterlijf, dat is opgebouwd uit verschillende vlekken. In andere talen zoals het Zweeds (Korsspindel) wordt ook verwezen naar het kruis. In veel talen wordt de spin 'tuinspin' genoemd, een verwijzing naar het voorkomen van de soort in tuinen, zoals in het Engels (European garden spider).

De kruisspin behoort tot de familie wielwebspinnen of Araneidae, dit is een bekende groep van spinnen omdat ze allemaal een web maken dat lijkt op een wiel. Er zijn ongeveer 50 Europese soorten wielwebspinnen waarvan er ongeveer 25 voorkomen in Nederland. [1] Het geslacht Araneus waartoe de spin behoort wordt in Nederland vertegenwoordigd door zes andere soorten.

 

Ondersoorten:

De kruisspin wordt verdeeld in vier verschillende ondersoorten, die voornamelijk verschillen in verspreidingsgebied;

 

Araneus diadematus islandicus - IJsland

Araneus diadematus nemorosus - Frankrijk

Araneus diadematus soror - Corsica

Araneus diadematus stellatus - De rest van Europa

De kruisspin (Araneus diadematus) is een middelgrote spin die behoort tot de familie wielwebspinnen (Araneidae).

De kruisspin is in tegenstelling tot veel andere spinnen geen schuwe soort, maar eentje die vaak midden in het web zit en moeilijk over het hoofd is te zien. De spin wordt ook relatief groot tot zo'n 17 millimeter. De naam is te danken aan de op een kruis gelijkend patroon op het achterlijf dat bestaat uit een groepje lichtere tot witte vlekjes die afsteken tegen de donkerbruine tot gele achtergrondkleur. De kruisspin is in Europa een van de meer algemene soorten en de spin komt ook in België en Nederland voor. Omdat de kruisspin in beschaduwde, van de wind afgeschermde hogere planten leeft duikt de spin vaak op in tuinen en hierdoor is het een van de bekendste Europese spinnen.

De kruisspin bouwt het web op enige hoogte en vangt voornamelijk vliegende insecten. De spin wordt zelf gegeten door insecteneters zoals vogels. De levenscyclus is tweejarig; de paring vindt plaats in de herfst en de eitjes overwinteren. In de lente komen ze uit en pas het volgende jaar worden de spinnen volwassen.

De kruisspin is door de Europese Arachnologische Vereniging uitgeroepen tot spin van het jaar 2010.

 

Verspreiding:

De kruisspin komt voor in zowel Noord-Amerika als in grote delen van Europa. In Noord-Amerika heeft de spin een groot verspreidingsgebied in het noorden, op de grens tussen de Verenigde Staten en Canada. De spin komt voor van het oosten in New Engeland tot in het westen in Brits-Columbia, Washington en Oregon.

In Europa komt de kruisspin voor van noordelijk Scandinavië tot in landen aan de Middellandse Zee. In Groot-Brittannië komt de spin overal voor op enkele locaties in noordelijk Schotland na. Op het eiland Ierland is de spin echter zeer zeldzaam en is hij alleen bekend van enkele verspreide populaties in het noorden.

In België en Nederland komt de soort overal algemeen voor. In Nederland is de spin ook aangetroffen op de Waddeneilanden.

 

Kenmerken:

Lichaamsdelen van een kruisspin:

A = poten

B = achterlijf

C = kopborststuk

D = ogen

E = kaak

F = palp

 

De kruisspin heeft geen typische kleur; er is veel variatie. De meeste exemplaren zijn bruin tot roodbruin van kleur maar ook afwijkende kleuren als geel, rood en oranje komen voor. Op het achterlijf is vrijwel altijd een wit kruis te zien.

De kruisspin kent net als veel andere spinnen een sterke seksuele dimorfie; dit wil zeggen dat de mannetjes en de vrouwtjes er totaal anders uitzien. [8] Als de spinnen net uit het ei komen is het geslacht niet vast te stellen maar bij de volwassen exemplaren zijn de vrouwtjes veel groter dan de mannetjes. De vrouwtjes bereiken een lichaamslengte van 12 tot 17 millimeter, exclusief poten, terwijl de mannetjes ongeveer 5 tot 10 millimeter lang worden. [6] Als de spinnen nog jong zijn, verschillen de mannetjes en wijfjes niet veel van elkaar. Na verloop van tijd groeien de wijfjes harder dan de mannetjes. In de zomer van hun tweede levensjaar, als de wijfjes volwassen worden, groeien ze zeer snel. Mannetjes hebben naar verhouding langere poten maar een beduidend kleiner achterlijf dan een vrouwtje. Vooral vrouwtjes die eieren dragen hebben een opvallend dik achterlijf.

Wat direct opvalt aan de spin zijn de vier paar lange poten. De poten dragen een stekelige beharing, de haartjes hebben een tastzintuiglijke functie. De kleur van de poten is bruin met afwisselende lichte banden. De poten bestaan net als bij andere spinnen uit zeven segmenten, waarvan de uiteinden de tarsen worden genoemd. Deze dragen kleine klauwtjes waarmee de spin zich aan de ondergrond hecht. Het voorste paar poten is het langst en wordt gebruikt om de omgeving af te tasten.

Het lichaam van de spin is verdeeld in twee zichtbare delen, de achterzijde wordt het achterlijf of abdomen genoemd en de voorzijde bestaat uit de met het borststuk gefuseerde kop, het kopborststuk of cephalothorax. Het kopborststuk is lichter gekleurd dan het achterlijf en ongevlekt. Aan de voorzijde van het kopborststuk zijn de ogen gelegen, de kruisspin heeft er acht in totaal. Aan de voorzijde zijn vier oogjes gelegen die iets van elkaar staan, aan weerszijden van de kop zijn steeds twee oogjes aanwezig die dichter tegen elkaar liggen. De ogen zijn donker van kleur en glanzend, ze doen kraalachtig aan. De ogen bestaan uit een enkele structuur met ieder een eigen lens, de ogen worden bij spinnen wel puntoogjes of ommatidiën genoemd. Aan de onderzijde van de kop bevinden zich twee paar kaken, (E) de bovenkaken zijn voorzien van klauw-achtige structuren en bevatten een gifkanaal, de gifklieren zijn gelegen in het kopborststuk. De spin neemt voedsel op door eerst verteringssappen in de prooi te brengen en deze vervolgens weer op te zuigen. Hierbij wordt de prooi al deels buiten het lichaam van de spin verteerd. De palpen hebben een zintuiglijke functie en worden door de mannetjes van veel soorten gebruikt als spermacapsule.

 

Achterlijf:.

Het achterlijf is bolvormig en rond van vorm, aan de achterzijde zijn zowel bij mannetjes als vrouwtjes altijd drie paar spintepels aanwezig. Dit zijn de uitscheidingsorganen waarmee het spinnenweb wordt gebouwd, maar ook prooien en eicocons worden omwikkeld. De spintepels kunnen verschillende soorten draden produceren; stevige en niet-kleverige draden om het frame van het web te maken en de eitjes te voorzien van een beschermende laag spinsel en kleverige vangdraden om prooien in het web te vangen.

De kruisspin is te herkennen aan de lichte vlekken op de bovenzijde van het achterlijf. Vrijwel alle exemplaren hebben een duidelijk kruisvormige groepering van de vlekken, slechts bij sommige exemplaren ontbreekt het kruis. Op de afbeelding is het vlekpatroon van een willekeurig exemplaar weergegeven in rustpositie; dus met de kop naar beneden. Het kruis wordt gevormd door een groep lichtere tot witte vlekken, die bestaan uit twee verticaal langwerpige vlekken aan de boven- en onderzijde en twee horizontaal langwerpige vlekken aan weerszijden. Daar waar de vlekken samenkomen is een vlek in het midden aanwezig. Aan weerszijden van de kleine vlek zijn twee vlekken aanwezig, waarbij de linkervlek vaak kleiner is dan die aan de rechterzijde. Boven de groep vlekken die het kruis vormen, wordt het kruismotief herhaald door kleinere ronde vlekjes.

De lichtere vlekken worden niet veroorzaakt door pigmenten maar door onder de huid gelegen cellen die gevuld zijn met guaninekristallen. De cellen die de kristallen bevatten worden wel guanocieten genoemd. Guanine ontstaat als afvalstof van de spijsvertering en wordt omgezet in kristallen en opgeslagen in de guanocieten. De kristallen weerkaatsen alle licht waardoor ze wit aandoen, de bovengelegen huidlaag is doorzichtig zodat ze goed opvallen.

 

Onderscheid met andere soorten:

De kruisspin lijkt enigszins op de eikenbladspin (Aculepeira ceropegia). Deze soort heeft echter een iets ander patroon op de rug, dat doet denken aan een vlampatroon. De eikenbladspin blijft kleiner en overwintert als jonge spin en niet als ei. Ook de viervlekwielwebspin (Araneus quadratus) lijkt door de vier lichtere vlekken op de kruisspin maar heeft een duidelijk boller achterlijf. Andere wielwebspinnen lijken niet op de kruisspin doordat ze bijvoorbeeld uitsteeksels hebben op het achterlijf, zoals de schouderkruisspin (Araneus angulatus) of een afwijkende lichaamsvorm hebben, zoals de platte wielwebspin (Nuctenea umbratica). Sommige wielwebspinnen zijn door hun andere kleuren gemakkelijk te onderscheiden, zoals de geelgestreepte wespspin.

 

Levenswijze:

De kruisspin moet net als alle geleedpotigen regelmatig vervellen om te kunnen groeien, hiertoe wordt het harde exoskelet vervangen door een nieuwe laag die de eerste tijd nog rekbaar is zodat het lichaam groter kan worden. Het exoskelet wordt in één keer afgeworpen tijdens de vervelling waarbij de nieuwe huid nog zacht is en dit geldt ook voor de poten en de kaken. De kruisspin is hierdoor erg kwetsbaar voor aanvallen van vijanden en trekt zich enige tijd voor de vervelling terug op een beschutte plaats en komt pas tevoorschijn als het lichaam is uitgehard.

De kruisspin is een groot deel van het leven bezig met het bouwen van een web. Het web is vergelijkbaar met dat van andere wielwebspinnen, deze familie van spinnen bouwt een vierkant frame met een spiraalvormige vangdraad in het midden die ondersteund wordt door een aantal draden die van het frame naar het midden van het web lopen en doen denken aan spaken. Het web in zijn geheel lijkt hierdoor op een fietswiel waaraan de naam van de spinnen te danken is. Het web raakt gemakkelijk beschadigd en snel vervuild, bovendien drogen de spinseldraden snel uit zodat het web iedere dag vervangen moet worden. Ook na iedere vangst moet het web gerepareerd worden omdat een spartelend prooidier het web beschadigt.

Bij het bouwen van het web wordt eerst een verticale draad gespannen die de brugdraad wordt genoemd. Vervolgens worden aan de onder- en bovenzijde twee horizontale draden gesponnen waarbij deze weer worden verbonden door een verticale draad aan de andere zijde. Zo is een vierkant ontstaan, waarbij een draad in het midden van boven naar beneden wordt gemaakt. Vervolgens maakt de spin draden van het midden van het web naar de randen van het vierkant, die lijken op spaken. Deze worden tenslotte verbonden door een spiraalvormige, kleverige vangdraad.

 

Voortplanting:

Jonge spinnetjes blijven bij elkaar maar bij verstoring rennen ze alle kanten op.

Aan het einde van de zomer is de kruisspin volwassen. Eenmaal volwassen maken de spinnen veel grotere webben dan jonge spinnen, waardoor ze goed opvallen. De vrouwtjes blijven in hun web terwijl mannetjes naar een vrouwtje op zoek gaan. De paring is voor een mannetje een hachelijke zaak; hij moet omzichtig te werk gaan om niet als prooi gezien te worden. Het mannetje is aanmerkelijk kleiner dan het vrouwtje en moet haar laten weten dat hij geen prooi is. Het mannetje produceert krijgt voor elkaar door trillingen te maken in het web van het vrouwtje.

De paring van spinnen is uitwendig, het mannetje heeft aan de monddelen of pedipalpen een ballonnetje wat de bulbus wordt genoemd. Deze heeft een pipet-achtige werking zodat sperma kan worden opgezogen en later in het vrouwelijke geslachtsorgaan of epigine kan worden afgegeven. Zowel de palp van het mannetje als de epigyne van het vrouwtje hebben bij de kruisspin een precies in elkaar passende vorm, zodat met de palp van een mannelijke kruisspin alleen in de epigine van een vrouwelijke kruisspin kan worden gebracht. Dit wordt nog versterkt door de stekels en haken die de palp draagt. Als de palp is gevuld met wordt het als een spermapakketje of spermatofoor ingebracht.

Tijdens de paring probeert het mannetje het vrouwtje zo snel mogelijk te bevruchten, dan loopt hij de minste kans om te worden opgegeten. Als het mannetje weet te ontsnappen kan hij nog een tweede keer paren, de mannetjes worden niet altijd opgegeten.

Na de bevruchting wordt het sperma opgeslagen in een speciaal kamertje, de spermatheek. Het vrouwtje heeft een gepaarde eileider waar de eicellen worden bevrucht en de eieren worden gevormd. Hierbij zwelt het achterlichaam enorm op. De eitjes worden afgezet in een cocon, die bestaat uit een ronde schijf van spinsel waarvan de zijkant wordt voorzien van een opstaande rand. Nu ontstaat een kamertje waarin de eitjes worden afgezet. De grootte van de cocon correleert met de grootte van de spin; een klein exemplaar zal een kleinere cocon bouwen. Dit geldt echter niet voor het aantal eitjes, dat varieert van enige tientallen tot honderden eitjes. Als de cocon af is, wordt deze voorzien van pluizige spinseldraden ter bescherming. De cocon wordt de eerste tijd bewaakt door het vrouwtje waarbij eventuele beschadigingen worden gerepareerd. De eicocons worden in herfst afgezet op verborgen plekken in planten en zie er uit als een pluk watten met in het midden de gelige eitjes. Het vrouwtje stopt met jagen en sterft vaak korte tijd nadat haar eiercocon is afgezet.

De eieren overwinteren; in de lente komen de jonge spinnetjes tevoorschijn, ze hebben een kenmerkende gele lichaamskleur en houden zich de eerste dagen op in een van spinsel gemaakt nest. Het groepje jonge kruisspinnen verspreid zich als het nest wordt verstoord om enige tijd later weer samen te komen. De jonge kruisspinnen of spiderlings leven de eerste tijd van het voedsel in hun dooier; hier doen ze ongeveer 7 tot 10 dagen mee. Daarna klimmen ze zo hoog mogelijk in een plant en laten ze uit hun achterlijf een lange draad de lucht in zweven. Deze draad wordt door de wind opgepakt en neemt de jonge spin mee de lucht in. Zo verspreiden de kleine spinnetjes zich -terwijl ze niet kunnen vliegen- door de lucht en kunnen honderden meters verder terechtkomen. De jonge spinnen maken een web dat al direct lijkt op dat van volwassen exemplaren, al het is het nog veel kleiner.

 

Ecologie:

De kruisspin bouwt zijn web op open plekken tussen lage boomtakken of in struiken, die echter van de wind zijn afgeschermd. Het web wordt gemakkelijk door regen en wind vernietigd waardoor de spin alleen voorkomt op beschutte plaatsen. Tuinen van mensen zijn voor de kruisspin ideaal, omdat deze vaak hogere begroeiing bevatten en relatief goed zijn afgeschermd van felle zon en van wind door het naastgelegen huis.

De kruisspin heeft een vochtige leefomgeving nodig en kan slecht tegen droogte en komt vooral voor in laaglanden. Een andere weersomstandigheid waar de spin onder lijdt is hevige regenval.

 

Voedsel:

Met het web, waarin de spin gewoonlijk ondersteboven in het centrum zit te wachten, wordt het voedsel gevangen. Het web wordt dagelijks opnieuw gesponnen, dit duurt ongeveer 20 minuten. Het is een wielvormig web waarbij het centrum zich iets boven het midden bevindt met een grote mate van symmetrie.

Het web wordt gemaakt op enige hoogte en bevindt zich vaak tussen twee takken. Sommige spinnen jagen op bodembewonende prooien en maken geen web, een voorbeeld is de wolfspin. Andere soorten hebben zich gespecialiseerd in het vangen van springende insecten die zich bij de bodem bevinden en jagen op bijvoorbeeld sprinkhanen zoals de wespspin. De kruisspin bezet een andere niche en bouwt het web op enige hoogte boven de bodem in struiken en lagere takken van bomen. Het web van de kruisspin is geschikt om vliegende insecten te vangen, zowel kleine als wat grotere vliegende insecten. Bekende prooien zijn vliegen en muggen, wespen en bijen maar ook grotere insecten zoals vlinders worden gegeten. Heel kleine prooien die in het web geraken, zoals bladluizen, worden genegeerd.

Zodra een prooi het web invliegt wordt de spin gealarmeerd door de trillingen van de draden van het web. Deze draden dienen speciaal om te spin te alarmeren en worden de signaaldraden genoemd. De spin snelt zich naar de prooi en wikkelt deze snel in spinsel. Pas daarna wordt een beet toegediend die de prooi verlamd. De ingepakte prooi wordt vervolgens uit het web gehaald en wordt in een schuilplaats van de spin opgegeten.

In de zomer van hun tweede levensjaar zijn de wijfjes zo groot dat ze een web van ongeveer 60 cm doorsnede maken. De spinnenwebben zijn voornamelijk tegen het eind van de zomer goed zichtbaar; de spinnen zaten er reeds lange tijd maar hun webben zijn nu veel groter geworden. Vooral bij vochtige weersomstandigheden zijn de webben duidelijk te zien doordat ze bedekt zijn met dauwdruppels waardoor ze een zilverachtige glans krijgen. Het grootste deel van de volwassen spinnen overleeft de eerste nachtvorst niet.

 

Vijanden:

De voornaamste vijanden van de kruisspin zijn verschillende insectenetende vogels, die de spin uit het web plukken. Ook verschillende andere spinnen zijn vijand, voornamelijk de spinneneters. Dit zijn spinnen die exclusief op andere spinnen jagen en in hun eigen web aanvallen, zoals de soorten uit het geslacht Ero. Daarnaast zijn kruispinnen kannibalistisch en eten kleinere soortgenoten op. Niet alleen mannetjes die met een vrouwtje willen paren moeten uitkijken, ook als twee vrouwtjes elkaar tegenkomen vallen ze elkaar aan en proberen elkaar in te spinnen.

Bij verstoring begint de spin hevig verticaal heen- en weer te schudden in het web door spiercontracties van de poten. Bij ernstige verstoring laat de spin zich loodrecht naar beneden vallen waarbij het lichaam met een spindraad wordt geankerd. De spin houdt zich op de bodem een tijdje schijndood waarbij de poten worden ingetrokken. Na enige tijd klimt de spin weer naar boven waarbij de ankerdraad wordt gebruikt.

Kruisspinnen hebben gifkaken maar gebruiken deze alleen om op prooien te jagen en niet om vijanden af te weren. Alleen als een spin tussen de vingers wordt vastgeklemd zal deze in het uiterste geval bijten wat pijnlijk is maar niet gevaarlijk.

De grootste vijand van de spinnen is het klimaat; ze lijden vooral onder droogte en zware regenval. Ook de mens is een belangrijke vijand omdat deze spinnen doodt en hun web vernielen. De spinnen moeten ook opletten voor sommige sluipwespen zoals de spinnendoders, die de spin verlammen en naar het nest brengen meestal een holletje onder de grond. In de verlamde spin wordt vervolgens een ei afgezet, als de larve van de sluipwesp uit het ei kruipt wordt de kruisspin levend en van binnenuit opgegeten.

 

Naamgeving en taxonomie:

De kruisspin werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven in 1757 door Carl Alexander Clerck als Araneus diadematus. De soort werd later beschreven door Linnaeus als Aranea diadema maar omdat de eerste naam telt is deze laatste naam vervallen. Ook werd de soort vroeger tot het geslacht Epeira gerekend, maar dit is achterhaald. De wetenschappelijke naam Araneus diadematus betekent vrij vertaald spin (Araneus) met een kroontje (diadematus) wat slaat op de karakteristieke vlekkentekening op het achterlijf. Ook de Nederlandse naam is te danken aan het witte 'kruis' op de bovenzijde van het achterlijf, dat is opgebouwd uit verschillende vlekken. In andere talen zoals het Zweeds (Korsspindel) wordt ook verwezen naar het kruis. In veel talen wordt de spin 'tuinspin' genoemd, een verwijzing naar het voorkomen van de soort in tuinen, zoals in het Engels (European garden spider).

De kruisspin behoort tot de familie wielwebspinnen of Araneidae, dit is een bekende groep van spinnen omdat ze allemaal een web maken dat lijkt op een wiel. Er zijn ongeveer 50 Europese soorten wielwebspinnen waarvan er ongeveer 25 voorkomen in Nederland. [1] Het geslacht Araneus waartoe de spin behoort wordt in Nederland vertegenwoordigd door zes andere soorten.

 

Ondersoorten:

De kruisspin wordt verdeeld in vier verschillende ondersoorten, die voornamelijk verschillen in verspreidingsgebied;

 

Araneus diadematus islandicus - IJsland

Araneus diadematus nemorosus - Frankrijk

Araneus diadematus soror - Corsica

Araneus diadematus stellatus - De rest van Europa

De kruisspin (Araneus diadematus) is een middelgrote spin die behoort tot de familie wielwebspinnen (Araneidae).

De kruisspin is in tegenstelling tot veel andere spinnen geen schuwe soort, maar eentje die vaak midden in het web zit en moeilijk over het hoofd is te zien. De spin wordt ook relatief groot tot zo'n 17 millimeter. De naam is te danken aan de op een kruis gelijkend patroon op het achterlijf dat bestaat uit een groepje lichtere tot witte vlekjes die afsteken tegen de donkerbruine tot gele achtergrondkleur. De kruisspin is in Europa een van de meer algemene soorten en de spin komt ook in België en Nederland voor. Omdat de kruisspin in beschaduwde, van de wind afgeschermde hogere planten leeft duikt de spin vaak op in tuinen en hierdoor is het een van de bekendste Europese spinnen.

De kruisspin bouwt het web op enige hoogte en vangt voornamelijk vliegende insecten. De spin wordt zelf gegeten door insecteneters zoals vogels. De levenscyclus is tweejarig; de paring vindt plaats in de herfst en de eitjes overwinteren. In de lente komen ze uit en pas het volgende jaar worden de spinnen volwassen.

De kruisspin is door de Europese Arachnologische Vereniging uitgeroepen tot spin van het jaar 2010.

 

Verspreiding:

De kruisspin komt voor in zowel Noord-Amerika als in grote delen van Europa. In Noord-Amerika heeft de spin een groot verspreidingsgebied in het noorden, op de grens tussen de Verenigde Staten en Canada. De spin komt voor van het oosten in New Engeland tot in het westen in Brits-Columbia, Washington en Oregon.

In Europa komt de kruisspin voor van noordelijk Scandinavië tot in landen aan de Middellandse Zee. In Groot-Brittannië komt de spin overal voor op enkele locaties in noordelijk Schotland na. Op het eiland Ierland is de spin echter zeer zeldzaam en is hij alleen bekend van enkele verspreide populaties in het noorden.

In België en Nederland komt de soort overal algemeen voor. In Nederland is de spin ook aangetroffen op de Waddeneilanden.

 

Kenmerken:

Lichaamsdelen van een kruisspin:

A = poten

B = achterlijf

C = kopborststuk

D = ogen

E = kaak

F = palp

 

De kruisspin heeft geen typische kleur; er is veel variatie. De meeste exemplaren zijn bruin tot roodbruin van kleur maar ook afwijkende kleuren als geel, rood en oranje komen voor. Op het achterlijf is vrijwel altijd een wit kruis te zien.

De kruisspin kent net als veel andere spinnen een sterke seksuele dimorfie; dit wil zeggen dat de mannetjes en de vrouwtjes er totaal anders uitzien. [8] Als de spinnen net uit het ei komen is het geslacht niet vast te stellen maar bij de volwassen exemplaren zijn de vrouwtjes veel groter dan de mannetjes. De vrouwtjes bereiken een lichaamslengte van 12 tot 17 millimeter, exclusief poten, terwijl de mannetjes ongeveer 5 tot 10 millimeter lang worden. [6] Als de spinnen nog jong zijn, verschillen de mannetjes en wijfjes niet veel van elkaar. Na verloop van tijd groeien de wijfjes harder dan de mannetjes. In de zomer van hun tweede levensjaar, als de wijfjes volwassen worden, groeien ze zeer snel. Mannetjes hebben naar verhouding langere poten maar een beduidend kleiner achterlijf dan een vrouwtje. Vooral vrouwtjes die eieren dragen hebben een opvallend dik achterlijf.

Wat direct opvalt aan de spin zijn de vier paar lange poten. De poten dragen een stekelige beharing, de haartjes hebben een tastzintuiglijke functie. De kleur van de poten is bruin met afwisselende lichte banden. De poten bestaan net als bij andere spinnen uit zeven segmenten, waarvan de uiteinden de tarsen worden genoemd. Deze dragen kleine klauwtjes waarmee de spin zich aan de ondergrond hecht. Het voorste paar poten is het langst en wordt gebruikt om de omgeving af te tasten.

Het lichaam van de spin is verdeeld in twee zichtbare delen, de achterzijde wordt het achterlijf of abdomen genoemd en de voorzijde bestaat uit de met het borststuk gefuseerde kop, het kopborststuk of cephalothorax. Het kopborststuk is lichter gekleurd dan het achterlijf en ongevlekt. Aan de voorzijde van het kopborststuk zijn de ogen gelegen, de kruisspin heeft er acht in totaal. Aan de voorzijde zijn vier oogjes gelegen die iets van elkaar staan, aan weerszijden van de kop zijn steeds twee oogjes aanwezig die dichter tegen elkaar liggen. De ogen zijn donker van kleur en glanzend, ze doen kraalachtig aan. De ogen bestaan uit een enkele structuur met ieder een eigen lens, de ogen worden bij spinnen wel puntoogjes of ommatidiën genoemd. Aan de onderzijde van de kop bevinden zich twee paar kaken, (E) de bovenkaken zijn voorzien van klauw-achtige structuren en bevatten een gifkanaal, de gifklieren zijn gelegen in het kopborststuk. De spin neemt voedsel op door eerst verteringssappen in de prooi te brengen en deze vervolgens weer op te zuigen. Hierbij wordt de prooi al deels buiten het lichaam van de spin verteerd. De palpen hebben een zintuiglijke functie en worden door de mannetjes van veel soorten gebruikt als spermacapsule.

 

Achterlijf:.

Het achterlijf is bolvormig en rond van vorm, aan de achterzijde zijn zowel bij mannetjes als vrouwtjes altijd drie paar spintepels aanwezig. Dit zijn de uitscheidingsorganen waarmee het spinnenweb wordt gebouwd, maar ook prooien en eicocons worden omwikkeld. De spintepels kunnen verschillende soorten draden produceren; stevige en niet-kleverige draden om het frame van het web te maken en de eitjes te voorzien van een beschermende laag spinsel en kleverige vangdraden om prooien in het web te vangen.

De kruisspin is te herkennen aan de lichte vlekken op de bovenzijde van het achterlijf. Vrijwel alle exemplaren hebben een duidelijk kruisvormige groepering van de vlekken, slechts bij sommige exemplaren ontbreekt het kruis. Op de afbeelding is het vlekpatroon van een willekeurig exemplaar weergegeven in rustpositie; dus met de kop naar beneden. Het kruis wordt gevormd door een groep lichtere tot witte vlekken, die bestaan uit twee verticaal langwerpige vlekken aan de boven- en onderzijde en twee horizontaal langwerpige vlekken aan weerszijden. Daar waar de vlekken samenkomen is een vlek in het midden aanwezig. Aan weerszijden van de kleine vlek zijn twee vlekken aanwezig, waarbij de linkervlek vaak kleiner is dan die aan de rechterzijde. Boven de groep vlekken die het kruis vormen, wordt het kruismotief herhaald door kleinere ronde vlekjes.

De lichtere vlekken worden niet veroorzaakt door pigmenten maar door onder de huid gelegen cellen die gevuld zijn met guaninekristallen. De cellen die de kristallen bevatten worden wel guanocieten genoemd. Guanine ontstaat als afvalstof van de spijsvertering en wordt omgezet in kristallen en opgeslagen in de guanocieten. De kristallen weerkaatsen alle licht waardoor ze wit aandoen, de bovengelegen huidlaag is doorzichtig zodat ze goed opvallen.

 

Onderscheid met andere soorten:

De kruisspin lijkt enigszins op de eikenbladspin (Aculepeira ceropegia). Deze soort heeft echter een iets ander patroon op de rug, dat doet denken aan een vlampatroon. De eikenbladspin blijft kleiner en overwintert als jonge spin en niet als ei. Ook de viervlekwielwebspin (Araneus quadratus) lijkt door de vier lichtere vlekken op de kruisspin maar heeft een duidelijk boller achterlijf. Andere wielwebspinnen lijken niet op de kruisspin doordat ze bijvoorbeeld uitsteeksels hebben op het achterlijf, zoals de schouderkruisspin (Araneus angulatus) of een afwijkende lichaamsvorm hebben, zoals de platte wielwebspin (Nuctenea umbratica). Sommige wielwebspinnen zijn door hun andere kleuren gemakkelijk te onderscheiden, zoals de geelgestreepte wespspin.

 

Levenswijze:

De kruisspin moet net als alle geleedpotigen regelmatig vervellen om te kunnen groeien, hiertoe wordt het harde exoskelet vervangen door een nieuwe laag die de eerste tijd nog rekbaar is zodat het lichaam groter kan worden. Het exoskelet wordt in één keer afgeworpen tijdens de vervelling waarbij de nieuwe huid nog zacht is en dit geldt ook voor de poten en de kaken. De kruisspin is hierdoor erg kwetsbaar voor aanvallen van vijanden en trekt zich enige tijd voor de vervelling terug op een beschutte plaats en komt pas tevoorschijn als het lichaam is uitgehard.

De kruisspin is een groot deel van het leven bezig met het bouwen van een web. Het web is vergelijkbaar met dat van andere wielwebspinnen, deze familie van spinnen bouwt een vierkant frame met een spiraalvormige vangdraad in het midden die ondersteund wordt door een aantal draden die van het frame naar het midden van het web lopen en doen denken aan spaken. Het web in zijn geheel lijkt hierdoor op een fietswiel waaraan de naam van de spinnen te danken is. Het web raakt gemakkelijk beschadigd en snel vervuild, bovendien drogen de spinseldraden snel uit zodat het web iedere dag vervangen moet worden. Ook na iedere vangst moet het web gerepareerd worden omdat een spartelend prooidier het web beschadigt.

Bij het bouwen van het web wordt eerst een verticale draad gespannen die de brugdraad wordt genoemd. Vervolgens worden aan de onder- en bovenzijde twee horizontale draden gesponnen waarbij deze weer worden verbonden door een verticale draad aan de andere zijde. Zo is een vierkant ontstaan, waarbij een draad in het midden van boven naar beneden wordt gemaakt. Vervolgens maakt de spin draden van het midden van het web naar de randen van het vierkant, die lijken op spaken. Deze worden tenslotte verbonden door een spiraalvormige, kleverige vangdraad.

 

Voortplanting:

Jonge spinnetjes blijven bij elkaar maar bij verstoring rennen ze alle kanten op.

Aan het einde van de zomer is de kruisspin volwassen. Eenmaal volwassen maken de spinnen veel grotere webben dan jonge spinnen, waardoor ze goed opvallen. De vrouwtjes blijven in hun web terwijl mannetjes naar een vrouwtje op zoek gaan. De paring is voor een mannetje een hachelijke zaak; hij moet omzichtig te werk gaan om niet als prooi gezien te worden. Het mannetje is aanmerkelijk kleiner dan het vrouwtje en moet haar laten weten dat hij geen prooi is. Het mannetje produceert krijgt voor elkaar door trillingen te maken in het web van het vrouwtje.

De paring van spinnen is uitwendig, het mannetje heeft aan de monddelen of pedipalpen een ballonnetje wat de bulbus wordt genoemd. Deze heeft een pipet-achtige werking zodat sperma kan worden opgezogen en later in het vrouwelijke geslachtsorgaan of epigine kan worden afgegeven. Zowel de palp van het mannetje als de epigyne van het vrouwtje hebben bij de kruisspin een precies in elkaar passende vorm, zodat met de palp van een mannelijke kruisspin alleen in de epigine van een vrouwelijke kruisspin kan worden gebracht. Dit wordt nog versterkt door de stekels en haken die de palp draagt. Als de palp is gevuld met wordt het als een spermapakketje of spermatofoor ingebracht.

Tijdens de paring probeert het mannetje het vrouwtje zo snel mogelijk te bevruchten, dan loopt hij de minste kans om te worden opgegeten. Als het mannetje weet te ontsnappen kan hij nog een tweede keer paren, de mannetjes worden niet altijd opgegeten.

Na de bevruchting wordt het sperma opgeslagen in een speciaal kamertje, de spermatheek. Het vrouwtje heeft een gepaarde eileider waar de eicellen worden bevrucht en de eieren worden gevormd. Hierbij zwelt het achterlichaam enorm op. De eitjes worden afgezet in een cocon, die bestaat uit een ronde schijf van spinsel waarvan de zijkant wordt voorzien van een opstaande rand. Nu ontstaat een kamertje waarin de eitjes worden afgezet. De grootte van de cocon correleert met de grootte van de spin; een klein exemplaar zal een kleinere cocon bouwen. Dit geldt echter niet voor het aantal eitjes, dat varieert van enige tientallen tot honderden eitjes. Als de cocon af is, wordt deze voorzien van pluizige spinseldraden ter bescherming. De cocon wordt de eerste tijd bewaakt door het vrouwtje waarbij eventuele beschadigingen worden gerepareerd. De eicocons worden in herfst afgezet op verborgen plekken in planten en zie er uit als een pluk watten met in het midden de gelige eitjes. Het vrouwtje stopt met jagen en sterft vaak korte tijd nadat haar eiercocon is afgezet.

De eieren overwinteren; in de lente komen de jonge spinnetjes tevoorschijn, ze hebben een kenmerkende gele lichaamskleur en houden zich de eerste dagen op in een van spinsel gemaakt nest. Het groepje jonge kruisspinnen verspreid zich als het nest wordt verstoord om enige tijd later weer samen te komen. De jonge kruisspinnen of spiderlings leven de eerste tijd van het voedsel in hun dooier; hier doen ze ongeveer 7 tot 10 dagen mee. Daarna klimmen ze zo hoog mogelijk in een plant en laten ze uit hun achterlijf een lange draad de lucht in zweven. Deze draad wordt door de wind opgepakt en neemt de jonge spin mee de lucht in. Zo verspreiden de kleine spinnetjes zich -terwijl ze niet kunnen vliegen- door de lucht en kunnen honderden meters verder terechtkomen. De jonge spinnen maken een web dat al direct lijkt op dat van volwassen exemplaren, al het is het nog veel kleiner.

 

Ecologie:

De kruisspin bouwt zijn web op open plekken tussen lage boomtakken of in struiken, die echter van de wind zijn afgeschermd. Het web wordt gemakkelijk door regen en wind vernietigd waardoor de spin alleen voorkomt op beschutte plaatsen. Tuinen van mensen zijn voor de kruisspin ideaal, omdat deze vaak hogere begroeiing bevatten en relatief goed zijn afgeschermd van felle zon en van wind door het naastgelegen huis.

De kruisspin heeft een vochtige leefomgeving nodig en kan slecht tegen droogte en komt vooral voor in laaglanden. Een andere weersomstandigheid waar de spin onder lijdt is hevige regenval.

 

Voedsel:

Met het web, waarin de spin gewoonlijk ondersteboven in het centrum zit te wachten, wordt het voedsel gevangen. Het web wordt dagelijks opnieuw gesponnen, dit duurt ongeveer 20 minuten. Het is een wielvormig web waarbij het centrum zich iets boven het midden bevindt met een grote mate van symmetrie.

Het web wordt gemaakt op enige hoogte en bevindt zich vaak tussen twee takken. Sommige spinnen jagen op bodembewonende prooien en maken geen web, een voorbeeld is de wolfspin. Andere soorten hebben zich gespecialiseerd in het vangen van springende insecten die zich bij de bodem bevinden en jagen op bijvoorbeeld sprinkhanen zoals de wespspin. De kruisspin bezet een andere niche en bouwt het web op enige hoogte boven de bodem in struiken en lagere takken van bomen. Het web van de kruisspin is geschikt om vliegende insecten te vangen, zowel kleine als wat grotere vliegende insecten. Bekende prooien zijn vliegen en muggen, wespen en bijen maar ook grotere insecten zoals vlinders worden gegeten. Heel kleine prooien die in het web geraken, zoals bladluizen, worden genegeerd.

Zodra een prooi het web invliegt wordt de spin gealarmeerd door de trillingen van de draden van het web. Deze draden dienen speciaal om te spin te alarmeren en worden de signaaldraden genoemd. De spin snelt zich naar de prooi en wikkelt deze snel in spinsel. Pas daarna wordt een beet toegediend die de prooi verlamd. De ingepakte prooi wordt vervolgens uit het web gehaald en wordt in een schuilplaats van de spin opgegeten.

In de zomer van hun tweede levensjaar zijn de wijfjes zo groot dat ze een web van ongeveer 60 cm doorsnede maken. De spinnenwebben zijn voornamelijk tegen het eind van de zomer goed zichtbaar; de spinnen zaten er reeds lange tijd maar hun webben zijn nu veel groter geworden. Vooral bij vochtige weersomstandigheden zijn de webben duidelijk te zien doordat ze bedekt zijn met dauwdruppels waardoor ze een zilverachtige glans krijgen. Het grootste deel van de volwassen spinnen overleeft de eerste nachtvorst niet.

 

Vijanden:

De voornaamste vijanden van de kruisspin zijn verschillende insectenetende vogels, die de spin uit het web plukken. Ook verschillende andere spinnen zijn vijand, voornamelijk de spinneneters. Dit zijn spinnen die exclusief op andere spinnen jagen en in hun eigen web aanvallen, zoals de soorten uit het geslacht Ero. Daarnaast zijn kruispinnen kannibalistisch en eten kleinere soortgenoten op. Niet alleen mannetjes die met een vrouwtje willen paren moeten uitkijken, ook als twee vrouwtjes elkaar tegenkomen vallen ze elkaar aan en proberen elkaar in te spinnen.

Bij verstoring begint de spin hevig verticaal heen- en weer te schudden in het web door spiercontracties van de poten. Bij ernstige verstoring laat de spin zich loodrecht naar beneden vallen waarbij het lichaam met een spindraad wordt geankerd. De spin houdt zich op de bodem een tijdje schijndood waarbij de poten worden ingetrokken. Na enige tijd klimt de spin weer naar boven waarbij de ankerdraad wordt gebruikt.

Kruisspinnen hebben gifkaken maar gebruiken deze alleen om op prooien te jagen en niet om vijanden af te weren. Alleen als een spin tussen de vingers wordt vastgeklemd zal deze in het uiterste geval bijten wat pijnlijk is maar niet gevaarlijk.

De grootste vijand van de spinnen is het klimaat; ze lijden vooral onder droogte en zware regenval. Ook de mens is een belangrijke vijand omdat deze spinnen doodt en hun web vernielen. De spinnen moeten ook opletten voor sommige sluipwespen zoals de spinnendoders, die de spin verlammen en naar het nest brengen meestal een holletje onder de grond. In de verlamde spin wordt vervolgens een ei afgezet, als de larve van de sluipwesp uit het ei kruipt wordt de kruisspin levend en van binnenuit opgegeten.

 

Naamgeving en taxonomie:

De kruisspin werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven in 1757 door Carl Alexander Clerck als Araneus diadematus. De soort werd later beschreven door Linnaeus als Aranea diadema maar omdat de eerste naam telt is deze laatste naam vervallen. Ook werd de soort vroeger tot het geslacht Epeira gerekend, maar dit is achterhaald. De wetenschappelijke naam Araneus diadematus betekent vrij vertaald spin (Araneus) met een kroontje (diadematus) wat slaat op de karakteristieke vlekkentekening op het achterlijf. Ook de Nederlandse naam is te danken aan het witte 'kruis' op de bovenzijde van het achterlijf, dat is opgebouwd uit verschillende vlekken. In andere talen zoals het Zweeds (Korsspindel) wordt ook verwezen naar het kruis. In veel talen wordt de spin 'tuinspin' genoemd, een verwijzing naar het voorkomen van de soort in tuinen, zoals in het Engels (European garden spider).

De kruisspin behoort tot de familie wielwebspinnen of Araneidae, dit is een bekende groep van spinnen omdat ze allemaal een web maken dat lijkt op een wiel. Er zijn ongeveer 50 Europese soorten wielwebspinnen waarvan er ongeveer 25 voorkomen in Nederland. [1] Het geslacht Araneus waartoe de spin behoort wordt in Nederland vertegenwoordigd door zes andere soorten.

 

Ondersoorten:

De kruisspin wordt verdeeld in vier verschillende ondersoorten, die voornamelijk verschillen in verspreidingsgebied;

 

Araneus diadematus islandicus - IJsland

Araneus diadematus nemorosus - Frankrijk

Araneus diadematus soror - Corsica

Araneus diadematus stellatus - De rest van Europa

De kruisspin (Araneus diadematus) is een middelgrote spin die behoort tot de familie wielwebspinnen (Araneidae).

De kruisspin is in tegenstelling tot veel andere spinnen geen schuwe soort, maar eentje die vaak midden in het web zit en moeilijk over het hoofd is te zien. De spin wordt ook relatief groot tot zo'n 17 millimeter. De naam is te danken aan de op een kruis gelijkend patroon op het achterlijf dat bestaat uit een groepje lichtere tot witte vlekjes die afsteken tegen de donkerbruine tot gele achtergrondkleur. De kruisspin is in Europa een van de meer algemene soorten en de spin komt ook in België en Nederland voor. Omdat de kruisspin in beschaduwde, van de wind afgeschermde hogere planten leeft duikt de spin vaak op in tuinen en hierdoor is het een van de bekendste Europese spinnen.

De kruisspin bouwt het web op enige hoogte en vangt voornamelijk vliegende insecten. De spin wordt zelf gegeten door insecteneters zoals vogels. De levenscyclus is tweejarig; de paring vindt plaats in de herfst en de eitjes overwinteren. In de lente komen ze uit en pas het volgende jaar worden de spinnen volwassen.

De kruisspin is door de Europese Arachnologische Vereniging uitgeroepen tot spin van het jaar 2010.

 

Verspreiding:

De kruisspin komt voor in zowel Noord-Amerika als in grote delen van Europa. In Noord-Amerika heeft de spin een groot verspreidingsgebied in het noorden, op de grens tussen de Verenigde Staten en Canada. De spin komt voor van het oosten in New Engeland tot in het westen in Brits-Columbia, Washington en Oregon.

In Europa komt de kruisspin voor van noordelijk Scandinavië tot in landen aan de Middellandse Zee. In Groot-Brittannië komt de spin overal voor op enkele locaties in noordelijk Schotland na. Op het eiland Ierland is de spin echter zeer zeldzaam en is hij alleen bekend van enkele verspreide populaties in het noorden.

In België en Nederland komt de soort overal algemeen voor. In Nederland is de spin ook aangetroffen op de Waddeneilanden.

 

Kenmerken:

Lichaamsdelen van een kruisspin:

A = poten

B = achterlijf

C = kopborststuk

D = ogen

E = kaak

F = palp

 

De kruisspin heeft geen typische kleur; er is veel variatie. De meeste exemplaren zijn bruin tot roodbruin van kleur maar ook afwijkende kleuren als geel, rood en oranje komen voor. Op het achterlijf is vrijwel altijd een wit kruis te zien.

De kruisspin kent net als veel andere spinnen een sterke seksuele dimorfie; dit wil zeggen dat de mannetjes en de vrouwtjes er totaal anders uitzien. [8] Als de spinnen net uit het ei komen is het geslacht niet vast te stellen maar bij de volwassen exemplaren zijn de vrouwtjes veel groter dan de mannetjes. De vrouwtjes bereiken een lichaamslengte van 12 tot 17 millimeter, exclusief poten, terwijl de mannetjes ongeveer 5 tot 10 millimeter lang worden. [6] Als de spinnen nog jong zijn, verschillen de mannetjes en wijfjes niet veel van elkaar. Na verloop van tijd groeien de wijfjes harder dan de mannetjes. In de zomer van hun tweede levensjaar, als de wijfjes volwassen worden, groeien ze zeer snel. Mannetjes hebben naar verhouding langere poten maar een beduidend kleiner achterlijf dan een vrouwtje. Vooral vrouwtjes die eieren dragen hebben een opvallend dik achterlijf.

Wat direct opvalt aan de spin zijn de vier paar lange poten. De poten dragen een stekelige beharing, de haartjes hebben een tastzintuiglijke functie. De kleur van de poten is bruin met afwisselende lichte banden. De poten bestaan net als bij andere spinnen uit zeven segmenten, waarvan de uiteinden de tarsen worden genoemd. Deze dragen kleine klauwtjes waarmee de spin zich aan de ondergrond hecht. Het voorste paar poten is het langst en wordt gebruikt om de omgeving af te tasten.

Het lichaam van de spin is verdeeld in twee zichtbare delen, de achterzijde wordt het achterlijf of abdomen genoemd en de voorzijde bestaat uit de met het borststuk gefuseerde kop, het kopborststuk of cephalothorax. Het kopborststuk is lichter gekleurd dan het achterlijf en ongevlekt. Aan de voorzijde van het kopborststuk zijn de ogen gelegen, de kruisspin heeft er acht in totaal. Aan de voorzijde zijn vier oogjes gelegen die iets van elkaar staan, aan weerszijden van de kop zijn steeds twee oogjes aanwezig die dichter tegen elkaar liggen. De ogen zijn donker van kleur en glanzend, ze doen kraalachtig aan. De ogen bestaan uit een enkele structuur met ieder een eigen lens, de ogen worden bij spinnen wel puntoogjes of ommatidiën genoemd. Aan de onderzijde van de kop bevinden zich twee paar kaken, (E) de bovenkaken zijn voorzien van klauw-achtige structuren en bevatten een gifkanaal, de gifklieren zijn gelegen in het kopborststuk. De spin neemt voedsel op door eerst verteringssappen in de prooi te brengen en deze vervolgens weer op te zuigen. Hierbij wordt de prooi al deels buiten het lichaam van de spin verteerd. De palpen hebben een zintuiglijke functie en worden door de mannetjes van veel soorten gebruikt als spermacapsule.

 

Achterlijf:.

Het achterlijf is bolvormig en rond van vorm, aan de achterzijde zijn zowel bij mannetjes als vrouwtjes altijd drie paar spintepels aanwezig. Dit zijn de uitscheidingsorganen waarmee het spinnenweb wordt gebouwd, maar ook prooien en eicocons worden omwikkeld. De spintepels kunnen verschillende soorten draden produceren; stevige en niet-kleverige draden om het frame van het web te maken en de eitjes te voorzien van een beschermende laag spinsel en kleverige vangdraden om prooien in het web te vangen.

De kruisspin is te herkennen aan de lichte vlekken op de bovenzijde van het achterlijf. Vrijwel alle exemplaren hebben een duidelijk kruisvormige groepering van de vlekken, slechts bij sommige exemplaren ontbreekt het kruis. Op de afbeelding is het vlekpatroon van een willekeurig exemplaar weergegeven in rustpositie; dus met de kop naar beneden. Het kruis wordt gevormd door een groep lichtere tot witte vlekken, die bestaan uit twee verticaal langwerpige vlekken aan de boven- en onderzijde en twee horizontaal langwerpige vlekken aan weerszijden. Daar waar de vlekken samenkomen is een vlek in het midden aanwezig. Aan weerszijden van de kleine vlek zijn twee vlekken aanwezig, waarbij de linkervlek vaak kleiner is dan die aan de rechterzijde. Boven de groep vlekken die het kruis vormen, wordt het kruismotief herhaald door kleinere ronde vlekjes.

De lichtere vlekken worden niet veroorzaakt door pigmenten maar door onder de huid gelegen cellen die gevuld zijn met guaninekristallen. De cellen die de kristallen bevatten worden wel guanocieten genoemd. Guanine ontstaat als afvalstof van de spijsvertering en wordt omgezet in kristallen en opgeslagen in de guanocieten. De kristallen weerkaatsen alle licht waardoor ze wit aandoen, de bovengelegen huidlaag is doorzichtig zodat ze goed opvallen.

 

Onderscheid met andere soorten:

De kruisspin lijkt enigszins op de eikenbladspin (Aculepeira ceropegia). Deze soort heeft echter een iets ander patroon op de rug, dat doet denken aan een vlampatroon. De eikenbladspin blijft kleiner en overwintert als jonge spin en niet als ei. Ook de viervlekwielwebspin (Araneus quadratus) lijkt door de vier lichtere vlekken op de kruisspin maar heeft een duidelijk boller achterlijf. Andere wielwebspinnen lijken niet op de kruisspin doordat ze bijvoorbeeld uitsteeksels hebben op het achterlijf, zoals de schouderkruisspin (Araneus angulatus) of een afwijkende lichaamsvorm hebben, zoals de platte wielwebspin (Nuctenea umbratica). Sommige wielwebspinnen zijn door hun andere kleuren gemakkelijk te onderscheiden, zoals de geelgestreepte wespspin.

 

Levenswijze:

De kruisspin moet net als alle geleedpotigen regelmatig vervellen om te kunnen groeien, hiertoe wordt het harde exoskelet vervangen door een nieuwe laag die de eerste tijd nog rekbaar is zodat het lichaam groter kan worden. Het exoskelet wordt in één keer afgeworpen tijdens de vervelling waarbij de nieuwe huid nog zacht is en dit geldt ook voor de poten en de kaken. De kruisspin is hierdoor erg kwetsbaar voor aanvallen van vijanden en trekt zich enige tijd voor de vervelling terug op een beschutte plaats en komt pas tevoorschijn als het lichaam is uitgehard.

De kruisspin is een groot deel van het leven bezig met het bouwen van een web. Het web is vergelijkbaar met dat van andere wielwebspinnen, deze familie van spinnen bouwt een vierkant frame met een spiraalvormige vangdraad in het midden die ondersteund wordt door een aantal draden die van het frame naar het midden van het web lopen en doen denken aan spaken. Het web in zijn geheel lijkt hierdoor op een fietswiel waaraan de naam van de spinnen te danken is. Het web raakt gemakkelijk beschadigd en snel vervuild, bovendien drogen de spinseldraden snel uit zodat het web iedere dag vervangen moet worden. Ook na iedere vangst moet het web gerepareerd worden omdat een spartelend prooidier het web beschadigt.

Bij het bouwen van het web wordt eerst een verticale draad gespannen die de brugdraad wordt genoemd. Vervolgens worden aan de onder- en bovenzijde twee horizontale draden gesponnen waarbij deze weer worden verbonden door een verticale draad aan de andere zijde. Zo is een vierkant ontstaan, waarbij een draad in het midden van boven naar beneden wordt gemaakt. Vervolgens maakt de spin draden van het midden van het web naar de randen van het vierkant, die lijken op spaken. Deze worden tenslotte verbonden door een spiraalvormige, kleverige vangdraad.

 

Voortplanting:

Jonge spinnetjes blijven bij elkaar maar bij verstoring rennen ze alle kanten op.

Aan het einde van de zomer is de kruisspin volwassen. Eenmaal volwassen maken de spinnen veel grotere webben dan jonge spinnen, waardoor ze goed opvallen. De vrouwtjes blijven in hun web terwijl mannetjes naar een vrouwtje op zoek gaan. De paring is voor een mannetje een hachelijke zaak; hij moet omzichtig te werk gaan om niet als prooi gezien te worden. Het mannetje is aanmerkelijk kleiner dan het vrouwtje en moet haar laten weten dat hij geen prooi is. Het mannetje produceert krijgt voor elkaar door trillingen te maken in het web van het vrouwtje.

De paring van spinnen is uitwendig, het mannetje heeft aan de monddelen of pedipalpen een ballonnetje wat de bulbus wordt genoemd. Deze heeft een pipet-achtige werking zodat sperma kan worden opgezogen en later in het vrouwelijke geslachtsorgaan of epigine kan worden afgegeven. Zowel de palp van het mannetje als de epigyne van het vrouwtje hebben bij de kruisspin een precies in elkaar passende vorm, zodat met de palp van een mannelijke kruisspin alleen in de epigine van een vrouwelijke kruisspin kan worden gebracht. Dit wordt nog versterkt door de stekels en haken die de palp draagt. Als de palp is gevuld met wordt het als een spermapakketje of spermatofoor ingebracht.

Tijdens de paring probeert het mannetje het vrouwtje zo snel mogelijk te bevruchten, dan loopt hij de minste kans om te worden opgegeten. Als het mannetje weet te ontsnappen kan hij nog een tweede keer paren, de mannetjes worden niet altijd opgegeten.

Na de bevruchting wordt het sperma opgeslagen in een speciaal kamertje, de spermatheek. Het vrouwtje heeft een gepaarde eileider waar de eicellen worden bevrucht en de eieren worden gevormd. Hierbij zwelt het achterlichaam enorm op. De eitjes worden afgezet in een cocon, die bestaat uit een ronde schijf van spinsel waarvan de zijkant wordt voorzien van een opstaande rand. Nu ontstaat een kamertje waarin de eitjes worden afgezet. De grootte van de cocon correleert met de grootte van de spin; een klein exemplaar zal een kleinere cocon bouwen. Dit geldt echter niet voor het aantal eitjes, dat varieert van enige tientallen tot honderden eitjes. Als de cocon af is, wordt deze voorzien van pluizige spinseldraden ter bescherming. De cocon wordt de eerste tijd bewaakt door het vrouwtje waarbij eventuele beschadigingen worden gerepareerd. De eicocons worden in herfst afgezet op verborgen plekken in planten en zie er uit als een pluk watten met in het midden de gelige eitjes. Het vrouwtje stopt met jagen en sterft vaak korte tijd nadat haar eiercocon is afgezet.

De eieren overwinteren; in de lente komen de jonge spinnetjes tevoorschijn, ze hebben een kenmerkende gele lichaamskleur en houden zich de eerste dagen op in een van spinsel gemaakt nest. Het groepje jonge kruisspinnen verspreid zich als het nest wordt verstoord om enige tijd later weer samen te komen. De jonge kruisspinnen of spiderlings leven de eerste tijd van het voedsel in hun dooier; hier doen ze ongeveer 7 tot 10 dagen mee. Daarna klimmen ze zo hoog mogelijk in een plant en laten ze uit hun achterlijf een lange draad de lucht in zweven. Deze draad wordt door de wind opgepakt en neemt de jonge spin mee de lucht in. Zo verspreiden de kleine spinnetjes zich -terwijl ze niet kunnen vliegen- door de lucht en kunnen honderden meters verder terechtkomen. De jonge spinnen maken een web dat al direct lijkt op dat van volwassen exemplaren, al het is het nog veel kleiner.

 

Ecologie:

De kruisspin bouwt zijn web op open plekken tussen lage boomtakken of in struiken, die echter van de wind zijn afgeschermd. Het web wordt gemakkelijk door regen en wind vernietigd waardoor de spin alleen voorkomt op beschutte plaatsen. Tuinen van mensen zijn voor de kruisspin ideaal, omdat deze vaak hogere begroeiing bevatten en relatief goed zijn afgeschermd van felle zon en van wind door het naastgelegen huis.

De kruisspin heeft een vochtige leefomgeving nodig en kan slecht tegen droogte en komt vooral voor in laaglanden. Een andere weersomstandigheid waar de spin onder lijdt is hevige regenval.

 

Voedsel:

Met het web, waarin de spin gewoonlijk ondersteboven in het centrum zit te wachten, wordt het voedsel gevangen. Het web wordt dagelijks opnieuw gesponnen, dit duurt ongeveer 20 minuten. Het is een wielvormig web waarbij het centrum zich iets boven het midden bevindt met een grote mate van symmetrie.

Het web wordt gemaakt op enige hoogte en bevindt zich vaak tussen twee takken. Sommige spinnen jagen op bodembewonende prooien en maken geen web, een voorbeeld is de wolfspin. Andere soorten hebben zich gespecialiseerd in het vangen van springende insecten die zich bij de bodem bevinden en jagen op bijvoorbeeld sprinkhanen zoals de wespspin. De kruisspin bezet een andere niche en bouwt het web op enige hoogte boven de bodem in struiken en lagere takken van bomen. Het web van de kruisspin is geschikt om vliegende insecten te vangen, zowel kleine als wat grotere vliegende insecten. Bekende prooien zijn vliegen en muggen, wespen en bijen maar ook grotere insecten zoals vlinders worden gegeten. Heel kleine prooien die in het web geraken, zoals bladluizen, worden genegeerd.

Zodra een prooi het web invliegt wordt de spin gealarmeerd door de trillingen van de draden van het web. Deze draden dienen speciaal om te spin te alarmeren en worden de signaaldraden genoemd. De spin snelt zich naar de prooi en wikkelt deze snel in spinsel. Pas daarna wordt een beet toegediend die de prooi verlamd. De ingepakte prooi wordt vervolgens uit het web gehaald en wordt in een schuilplaats van de spin opgegeten.

In de zomer van hun tweede levensjaar zijn de wijfjes zo groot dat ze een web van ongeveer 60 cm doorsnede maken. De spinnenwebben zijn voornamelijk tegen het eind van de zomer goed zichtbaar; de spinnen zaten er reeds lange tijd maar hun webben zijn nu veel groter geworden. Vooral bij vochtige weersomstandigheden zijn de webben duidelijk te zien doordat ze bedekt zijn met dauwdruppels waardoor ze een zilverachtige glans krijgen. Het grootste deel van de volwassen spinnen overleeft de eerste nachtvorst niet.

 

Vijanden:

De voornaamste vijanden van de kruisspin zijn verschillende insectenetende vogels, die de spin uit het web plukken. Ook verschillende andere spinnen zijn vijand, voornamelijk de spinneneters. Dit zijn spinnen die exclusief op andere spinnen jagen en in hun eigen web aanvallen, zoals de soorten uit het geslacht Ero. Daarnaast zijn kruispinnen kannibalistisch en eten kleinere soortgenoten op. Niet alleen mannetjes die met een vrouwtje willen paren moeten uitkijken, ook als twee vrouwtjes elkaar tegenkomen vallen ze elkaar aan en proberen elkaar in te spinnen.

Bij verstoring begint de spin hevig verticaal heen- en weer te schudden in het web door spiercontracties van de poten. Bij ernstige verstoring laat de spin zich loodrecht naar beneden vallen waarbij het lichaam met een spindraad wordt geankerd. De spin houdt zich op de bodem een tijdje schijndood waarbij de poten worden ingetrokken. Na enige tijd klimt de spin weer naar boven waarbij de ankerdraad wordt gebruikt.

Kruisspinnen hebben gifkaken maar gebruiken deze alleen om op prooien te jagen en niet om vijanden af te weren. Alleen als een spin tussen de vingers wordt vastgeklemd zal deze in het uiterste geval bijten wat pijnlijk is maar niet gevaarlijk.

De grootste vijand van de spinnen is het klimaat; ze lijden vooral onder droogte en zware regenval. Ook de mens is een belangrijke vijand omdat deze spinnen doodt en hun web vernielen. De spinnen moeten ook opletten voor sommige sluipwespen zoals de spinnendoders, die de spin verlammen en naar het nest brengen meestal een holletje onder de grond. In de verlamde spin wordt vervolgens een ei afgezet, als de larve van de sluipwesp uit het ei kruipt wordt de kruisspin levend en van binnenuit opgegeten.

 

Naamgeving en taxonomie:

De kruisspin werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven in 1757 door Carl Alexander Clerck als Araneus diadematus. De soort werd later beschreven door Linnaeus als Aranea diadema maar omdat de eerste naam telt is deze laatste naam vervallen. Ook werd de soort vroeger tot het geslacht Epeira gerekend, maar dit is achterhaald. De wetenschappelijke naam Araneus diadematus betekent vrij vertaald spin (Araneus) met een kroontje (diadematus) wat slaat op de karakteristieke vlekkentekening op het achterlijf. Ook de Nederlandse naam is te danken aan het witte 'kruis' op de bovenzijde van het achterlijf, dat is opgebouwd uit verschillende vlekken. In andere talen zoals het Zweeds (Korsspindel) wordt ook verwezen naar het kruis. In veel talen wordt de spin 'tuinspin' genoemd, een verwijzing naar het voorkomen van de soort in tuinen, zoals in het Engels (European garden spider).

De kruisspin behoort tot de familie wielwebspinnen of Araneidae, dit is een bekende groep van spinnen omdat ze allemaal een web maken dat lijkt op een wiel. Er zijn ongeveer 50 Europese soorten wielwebspinnen waarvan er ongeveer 25 voorkomen in Nederland. [1] Het geslacht Araneus waartoe de spin behoort wordt in Nederland vertegenwoordigd door zes andere soorten.

 

Ondersoorten:

De kruisspin wordt verdeeld in vier verschillende ondersoorten, die voornamelijk verschillen in verspreidingsgebied;

 

Araneus diadematus islandicus - IJsland

Araneus diadematus nemorosus - Frankrijk

Araneus diadematus soror - Corsica

Araneus diadematus stellatus - De rest van Europa

De bloedrode heidelibel (Sympetrum sanguineum) is een libel uit de familie van de korenbouten (Libelludae).

 

De libel is in grote delen van zijn areaal een algemene soort die te herkennen is aan de dieprode kleur, hoewel het niet de enige libel is met een dergelijke kleuring. Het is met een vleugelspanwijdte tot 6 centimeter een middelgrote soort.

 

De bloedrode heidelibel komt voor in grote delen van Europa, waaronder België en Nederland. Het is hier een generalist die rond verschillende wateren leeft en een van de meest voorkomende heidelibellen (geslacht Sympetrum).

 

De bloedrode heidelibel komt voor in grote delen van Europa, met uitzondering van noordelijk Scandinavië. Ook in Groot-Brittannië komt de soort voor, vooral in het centrale en oostelijke deel, in het westen en noorden is de soort minder algemeen. In het verleden zijn waarnemingen bekend uit de omgeving van Glasgow. Ook in Ierland komt de soort overal in het land voor, met uitzondering van het uiterste noorden. De soort is vooral bekend uit De Burren en de Irish Midlands, de centrale vlakte van Ierland.

 

De bloedrode heidelibel is in België vrij algemeen en komt verspreid over het gehele land voor. In Nederland is de soort zeer algemeen. Het is de meest voorkomende heidelibel en zelfs één van de meer algemene soorten Nederlandse libellen. Het verspreidingsgebied strekt zich oostelijk uit tot in Siberië en in zuidelijke richting tot in noordelijk Afrika. In Afrika komt de libel plaatselijk voor. In Zuidelijk Europa, rond het Middellandse Zeegebied, ontbreekt de soort in het zuidelijk deel van het Iberisch Schiereiland, Italië en de meeste Mediterrane eilanden]

 

De habitat bestaat uit gebieden met stilstaande tot langzaam stromende wateren, er is enige tolerantie voor brakwater. Er dient voldoende onderwatervegetatie aanwezig te zijn en boven het water uitstekende planten als riet en bies, zoals mattenbies (Schoenoplectus lacustris). De larven prefereren onderwaterplanten als lisdodde Typha en paardenstaart (Equisetum).

 

De soort staat op de Rode Lijst van de IUCN als niet bedreigd, beoordelingsjaar 2007.

 

De bloedrode heidelibel dankt zijn naam aan de dieprode kleur van de mannetjes, de vrouwtjes zijn geel gekleurd. De soortnaam sanguinea betekent 'bloedrood'. In andere talen verwijst de naam ook naar de rode kleur, zoals het Engelse ruddy darter wat 'blozende libel' betekent.

 

De lichaamslengte ligt tussen 34 en 36 millimeter, de spanwijdte van de vleugels is 50 tot 60 millimeter.

 

De kop heeft twee grote facetogen die aan de bovenzijde tegen elkaar komen, dit is een onderscheid met de juffers en de rombouten. Achter de ogen is het 'achterhoofd' of occiput aanwezig. Het onderste deel van het oog is lichter. Naast samengestelde ogen die uit vele kleine oogjes of ommatidiën bestaan, heeft de libel ook drie kleine bij-oogjes of ocelli . Deze zijn klein en moeilijk zichtbaar, ze zijn tussen de samengestelde ogen gelegen. Het bovenste deel van de voorzijde van de kop wordt frons genoemd. De frons en de ogen van het mannetje zijn roodbruin van kleur, die van het vrouwtje bruin. Onder de frons is de clypeus gelegen, dit is het 'gezicht' van een insect. Bij libellen is de clypeus echter relatief klein. Onder de clypeus is de labrum gelegen; dit is de bovenlip van een insect. Het corresponderende labium of onderlip is niet te zien op de afbeelding. Wel zijn de mandibels zichtbaar, waarmee prooien worden vermalen.

 

Het borststuk is roodbruin en draagt de krachtige voor- en achtervleugels en de drie paar poten. De vleugels zijn doorzichtig en hebben geen donkere dwarsbanden zoals bij sommige soorten. Aan de vleugelbasis is een oranje kleur aanwezig, waarvan het oppervlak groter is dan bij soorten als de bruinrode en steenrode heidelibel, maar een echte oranje vlek zoals bij de geelvlekheidelibel ontbreekt. De kleur wordt veroorzaakt door een fijne oranje beharing. Het pterostigma, de gekleurde cellen van de vleugels, zijn bij mannetjes roodbruin gekleurd, bij vrouwtjes bruin. De mannetjes vallen op door hun opvallend rode lichaam, ze zijn daarom op het eerste gezicht te verwarren met andere rood gekleurde soorten zoals de vuurlibel. Van andere heidelibellen zijn zowel het mannetje als het wijfje echter relatief eenvoudig te onderscheiden door de volledig zwarte poten. De zwarte poten zijn een onderscheid met veel andere soorten die in de lengte geel gestreepte poten hebben. De gelijkende vuurlibel heeft rode poten en is hieraan te onderscheiden.

 

Het achterlijf is bij mannetjes helder rood van kleur, met kleine zwarte vlekken op de achterste segmenten van het achterlijf Ook aan de onderzijde van het achterlijf zijn zwarte vlekjes aanwezig. Het mannetje heeft een duidelijke insnoering van het achterlijf aan het vierde segment, waardoor een enigszins knotsvormige achterlijfspunt ontstaat. Het achterlijf van het vrouwtje is in eerste instantie geel van kleur maar wordt later bruingeel. Jonge mannetjes hebben een geelbruine kleur achterlijf, als ze zijn uitgekleurd, wat enkele dagen kan duren, komt de rode kleur tevoorschijn. Tot die tijd zijn ze makkelijk met vrouwtjes te verwarren. Oudere vrouwtjes kunnen soms een wat rode kleur van het achterlijf krijgen, maar nooit zo bloedrood als de mannetjes.

 

De bloedrode heidelibel kan verward worden met verschillende soorten. De mannetjes zijn bij alle soorten rood van kleur, terwijl de vrouwtjes meestal geelbruin zijn. Een uitzondering is de zwarte heidelibel, die overwegend zwart van kleur is, zowel de mannetjes als de vrouwtjes. In de onderstaande uitklapbare tabel zijn de belangrijkste verschillen opgesomd met andere bekende heidelibellen die voorkomen in westelijk Europa.

 

De levenswijze van de bloedrode heidelibel is identiek aan die van andere libellen; de larve jaagt onder water op diertjes, de volwassen libel is eveneens een rover die zijn prooien vliegend vangt maar zich voornamelijk bezighoudt met de voortplanting. De larve is meestal nachtactief terwijl de libel alleen overdag te zien is, en dan bij zonnig weer. Libellen hebben zonlicht en -warmte nodig om snel te kunnen vliegen. Als het te heet wordt neemt de libel de karakteristieke obeliskhouding aan, waarbij de lichaamspunt naar boven wordt gericht. Hierdoor vangt het lichaam minder zonlicht waardoor oververhitting van het lichaam wordt tegengegaan. Dit gedrag is wel bij andere korenbouten bekend maar niet van alle libellen.

 

De bloedrode heidelibel is een soort die pas relatief laat tevoorschijn komt en voornamelijk vliegt van juli tot oktober. De mannetjes wachten op een uit-stekende tak bij het water op een vrouwtje om te paren. Als andere mannetjes zich aandienen worden deze verjaagd. Bij de paring wordt gebruikgemaakt van een paringsrad, de paring begint in de lucht en eindigt zittend. Opmerkelijk is dat de eitjes in de regel niet in het water worden afgezet, waar de larven zich ontwikkelen, maar op de oever. Hier overwinteren de eitjes in de modder om pas het volgende jaar met een flinke regenbui worden afgevoerd naar het water. Soms worden de eitjes te ver van het water afgezet waardoor ze geen kans maken. Eitjes die in het water worden afgezet, komen waarschijnlijk nog voor de winter uit en overwinteren als larve.

 

De larve leeft een jaar onder water waarbij verschillende vervellingen worden ondergaan. In de laatste stadia worden de vleugels zichtbaar als kleine schubjes aan het achterlijf. Als de larve zich volledig heeft ontwikkeld kruipt deze op een stengel en scheurt uit zijn oude huid. Dit gebeurt van eind mei tot september, met een piek in juli en augustus.

 

De larve is net als alle libellenlarven een geduchte rover die van kleine diertjes leeft. Deze worden gevangen met het vangmasker, een uitstulpbaar deel van de kop dat twee kaken bevat. De prooien worden hiermee bliksemsnel gegrepen en leeggezogen. De larve is een belangrijke bron van voedsel voor veel grote vissen. Om aan vissen te ontkomen en prooidieren te kunnen verrassen, is de larve 's nachts actief. De volwassen libel is eveneens een carnivoor die kleine vliegende diertjes uit de lucht plukt. Deze kunnen tijdens het vliegen worden opgegeten, ook wordt wel geland om de prooi op te eten. Libellen hebben sterke kaken (mandibels) waarmee de prooi aan stukjes wordt geknipt.

 

Ook de vijanden van de bloedrode heidelibel zijn hetzelfde als die van andere libellen, vooral vogels proberen een libel uit de lucht te plukken. Ze belanden soms in een spinnenweb of worden gegrepen door insectenetende wespen zoals de hoornaar. De grootste vijand is echter de winter; als de temperaturen aan het eind van de herfst dalen sterven de libellen massaal. Libellen kunnen niet als volwassen insect overwinteren en brengen de koude

   

De kruisspin (Araneus diadematus) is een middelgrote spin die behoort tot de familie wielwebspinnen (Araneidae).

De kruisspin is in tegenstelling tot veel andere spinnen geen schuwe soort, maar eentje die vaak midden in het web zit en moeilijk over het hoofd is te zien. De spin wordt ook relatief groot tot zo'n 17 millimeter. De naam is te danken aan de op een kruis gelijkend patroon op het achterlijf dat bestaat uit een groepje lichtere tot witte vlekjes die afsteken tegen de donkerbruine tot gele achtergrondkleur. De kruisspin is in Europa een van de meer algemene soorten en de spin komt ook in België en Nederland voor. Omdat de kruisspin in beschaduwde, van de wind afgeschermde hogere planten leeft duikt de spin vaak op in tuinen en hierdoor is het een van de bekendste Europese spinnen.

De kruisspin bouwt het web op enige hoogte en vangt voornamelijk vliegende insecten. De spin wordt zelf gegeten door insecteneters zoals vogels. De levenscyclus is tweejarig; de paring vindt plaats in de herfst en de eitjes overwinteren. In de lente komen ze uit en pas het volgende jaar worden de spinnen volwassen.

De kruisspin is door de Europese Arachnologische Vereniging uitgeroepen tot spin van het jaar 2010.

 

Verspreiding:

De kruisspin komt voor in zowel Noord-Amerika als in grote delen van Europa. In Noord-Amerika heeft de spin een groot verspreidingsgebied in het noorden, op de grens tussen de Verenigde Staten en Canada. De spin komt voor van het oosten in New Engeland tot in het westen in Brits-Columbia, Washington en Oregon.

In Europa komt de kruisspin voor van noordelijk Scandinavië tot in landen aan de Middellandse Zee. In Groot-Brittannië komt de spin overal voor op enkele locaties in noordelijk Schotland na. Op het eiland Ierland is de spin echter zeer zeldzaam en is hij alleen bekend van enkele verspreide populaties in het noorden.

In België en Nederland komt de soort overal algemeen voor. In Nederland is de spin ook aangetroffen op de Waddeneilanden.

 

Kenmerken:

Lichaamsdelen van een kruisspin:

A = poten

B = achterlijf

C = kopborststuk

D = ogen

E = kaak

F = palp

 

De kruisspin heeft geen typische kleur; er is veel variatie. De meeste exemplaren zijn bruin tot roodbruin van kleur maar ook afwijkende kleuren als geel, rood en oranje komen voor. Op het achterlijf is vrijwel altijd een wit kruis te zien.

De kruisspin kent net als veel andere spinnen een sterke seksuele dimorfie; dit wil zeggen dat de mannetjes en de vrouwtjes er totaal anders uitzien. [8] Als de spinnen net uit het ei komen is het geslacht niet vast te stellen maar bij de volwassen exemplaren zijn de vrouwtjes veel groter dan de mannetjes. De vrouwtjes bereiken een lichaamslengte van 12 tot 17 millimeter, exclusief poten, terwijl de mannetjes ongeveer 5 tot 10 millimeter lang worden. [6] Als de spinnen nog jong zijn, verschillen de mannetjes en wijfjes niet veel van elkaar. Na verloop van tijd groeien de wijfjes harder dan de mannetjes. In de zomer van hun tweede levensjaar, als de wijfjes volwassen worden, groeien ze zeer snel. Mannetjes hebben naar verhouding langere poten maar een beduidend kleiner achterlijf dan een vrouwtje. Vooral vrouwtjes die eieren dragen hebben een opvallend dik achterlijf.

Wat direct opvalt aan de spin zijn de vier paar lange poten. De poten dragen een stekelige beharing, de haartjes hebben een tastzintuiglijke functie. De kleur van de poten is bruin met afwisselende lichte banden. De poten bestaan net als bij andere spinnen uit zeven segmenten, waarvan de uiteinden de tarsen worden genoemd. Deze dragen kleine klauwtjes waarmee de spin zich aan de ondergrond hecht. Het voorste paar poten is het langst en wordt gebruikt om de omgeving af te tasten.

Het lichaam van de spin is verdeeld in twee zichtbare delen, de achterzijde wordt het achterlijf of abdomen genoemd en de voorzijde bestaat uit de met het borststuk gefuseerde kop, het kopborststuk of cephalothorax. Het kopborststuk is lichter gekleurd dan het achterlijf en ongevlekt. Aan de voorzijde van het kopborststuk zijn de ogen gelegen, de kruisspin heeft er acht in totaal. Aan de voorzijde zijn vier oogjes gelegen die iets van elkaar staan, aan weerszijden van de kop zijn steeds twee oogjes aanwezig die dichter tegen elkaar liggen. De ogen zijn donker van kleur en glanzend, ze doen kraalachtig aan. De ogen bestaan uit een enkele structuur met ieder een eigen lens, de ogen worden bij spinnen wel puntoogjes of ommatidiën genoemd. Aan de onderzijde van de kop bevinden zich twee paar kaken, (E) de bovenkaken zijn voorzien van klauw-achtige structuren en bevatten een gifkanaal, de gifklieren zijn gelegen in het kopborststuk. De spin neemt voedsel op door eerst verteringssappen in de prooi te brengen en deze vervolgens weer op te zuigen. Hierbij wordt de prooi al deels buiten het lichaam van de spin verteerd. De palpen hebben een zintuiglijke functie en worden door de mannetjes van veel soorten gebruikt als spermacapsule.

 

Achterlijf:.

Het achterlijf is bolvormig en rond van vorm, aan de achterzijde zijn zowel bij mannetjes als vrouwtjes altijd drie paar spintepels aanwezig. Dit zijn de uitscheidingsorganen waarmee het spinnenweb wordt gebouwd, maar ook prooien en eicocons worden omwikkeld. De spintepels kunnen verschillende soorten draden produceren; stevige en niet-kleverige draden om het frame van het web te maken en de eitjes te voorzien van een beschermende laag spinsel en kleverige vangdraden om prooien in het web te vangen.

De kruisspin is te herkennen aan de lichte vlekken op de bovenzijde van het achterlijf. Vrijwel alle exemplaren hebben een duidelijk kruisvormige groepering van de vlekken, slechts bij sommige exemplaren ontbreekt het kruis. Op de afbeelding is het vlekpatroon van een willekeurig exemplaar weergegeven in rustpositie; dus met de kop naar beneden. Het kruis wordt gevormd door een groep lichtere tot witte vlekken, die bestaan uit twee verticaal langwerpige vlekken aan de boven- en onderzijde en twee horizontaal langwerpige vlekken aan weerszijden. Daar waar de vlekken samenkomen is een vlek in het midden aanwezig. Aan weerszijden van de kleine vlek zijn twee vlekken aanwezig, waarbij de linkervlek vaak kleiner is dan die aan de rechterzijde. Boven de groep vlekken die het kruis vormen, wordt het kruismotief herhaald door kleinere ronde vlekjes.

De lichtere vlekken worden niet veroorzaakt door pigmenten maar door onder de huid gelegen cellen die gevuld zijn met guaninekristallen. De cellen die de kristallen bevatten worden wel guanocieten genoemd. Guanine ontstaat als afvalstof van de spijsvertering en wordt omgezet in kristallen en opgeslagen in de guanocieten. De kristallen weerkaatsen alle licht waardoor ze wit aandoen, de bovengelegen huidlaag is doorzichtig zodat ze goed opvallen.

 

Onderscheid met andere soorten:

De kruisspin lijkt enigszins op de eikenbladspin (Aculepeira ceropegia). Deze soort heeft echter een iets ander patroon op de rug, dat doet denken aan een vlampatroon. De eikenbladspin blijft kleiner en overwintert als jonge spin en niet als ei. Ook de viervlekwielwebspin (Araneus quadratus) lijkt door de vier lichtere vlekken op de kruisspin maar heeft een duidelijk boller achterlijf. Andere wielwebspinnen lijken niet op de kruisspin doordat ze bijvoorbeeld uitsteeksels hebben op het achterlijf, zoals de schouderkruisspin (Araneus angulatus) of een afwijkende lichaamsvorm hebben, zoals de platte wielwebspin (Nuctenea umbratica). Sommige wielwebspinnen zijn door hun andere kleuren gemakkelijk te onderscheiden, zoals de geelgestreepte wespspin.

 

Levenswijze:

De kruisspin moet net als alle geleedpotigen regelmatig vervellen om te kunnen groeien, hiertoe wordt het harde exoskelet vervangen door een nieuwe laag die de eerste tijd nog rekbaar is zodat het lichaam groter kan worden. Het exoskelet wordt in één keer afgeworpen tijdens de vervelling waarbij de nieuwe huid nog zacht is en dit geldt ook voor de poten en de kaken. De kruisspin is hierdoor erg kwetsbaar voor aanvallen van vijanden en trekt zich enige tijd voor de vervelling terug op een beschutte plaats en komt pas tevoorschijn als het lichaam is uitgehard.

De kruisspin is een groot deel van het leven bezig met het bouwen van een web. Het web is vergelijkbaar met dat van andere wielwebspinnen, deze familie van spinnen bouwt een vierkant frame met een spiraalvormige vangdraad in het midden die ondersteund wordt door een aantal draden die van het frame naar het midden van het web lopen en doen denken aan spaken. Het web in zijn geheel lijkt hierdoor op een fietswiel waaraan de naam van de spinnen te danken is. Het web raakt gemakkelijk beschadigd en snel vervuild, bovendien drogen de spinseldraden snel uit zodat het web iedere dag vervangen moet worden. Ook na iedere vangst moet het web gerepareerd worden omdat een spartelend prooidier het web beschadigt.

Bij het bouwen van het web wordt eerst een verticale draad gespannen die de brugdraad wordt genoemd. Vervolgens worden aan de onder- en bovenzijde twee horizontale draden gesponnen waarbij deze weer worden verbonden door een verticale draad aan de andere zijde. Zo is een vierkant ontstaan, waarbij een draad in het midden van boven naar beneden wordt gemaakt. Vervolgens maakt de spin draden van het midden van het web naar de randen van het vierkant, die lijken op spaken. Deze worden tenslotte verbonden door een spiraalvormige, kleverige vangdraad.

 

Voortplanting:

Jonge spinnetjes blijven bij elkaar maar bij verstoring rennen ze alle kanten op.

Aan het einde van de zomer is de kruisspin volwassen. Eenmaal volwassen maken de spinnen veel grotere webben dan jonge spinnen, waardoor ze goed opvallen. De vrouwtjes blijven in hun web terwijl mannetjes naar een vrouwtje op zoek gaan. De paring is voor een mannetje een hachelijke zaak; hij moet omzichtig te werk gaan om niet als prooi gezien te worden. Het mannetje is aanmerkelijk kleiner dan het vrouwtje en moet haar laten weten dat hij geen prooi is. Het mannetje produceert krijgt voor elkaar door trillingen te maken in het web van het vrouwtje.

De paring van spinnen is uitwendig, het mannetje heeft aan de monddelen of pedipalpen een ballonnetje wat de bulbus wordt genoemd. Deze heeft een pipet-achtige werking zodat sperma kan worden opgezogen en later in het vrouwelijke geslachtsorgaan of epigine kan worden afgegeven. Zowel de palp van het mannetje als de epigyne van het vrouwtje hebben bij de kruisspin een precies in elkaar passende vorm, zodat met de palp van een mannelijke kruisspin alleen in de epigine van een vrouwelijke kruisspin kan worden gebracht. Dit wordt nog versterkt door de stekels en haken die de palp draagt. Als de palp is gevuld met wordt het als een spermapakketje of spermatofoor ingebracht.

Tijdens de paring probeert het mannetje het vrouwtje zo snel mogelijk te bevruchten, dan loopt hij de minste kans om te worden opgegeten. Als het mannetje weet te ontsnappen kan hij nog een tweede keer paren, de mannetjes worden niet altijd opgegeten.

Na de bevruchting wordt het sperma opgeslagen in een speciaal kamertje, de spermatheek. Het vrouwtje heeft een gepaarde eileider waar de eicellen worden bevrucht en de eieren worden gevormd. Hierbij zwelt het achterlichaam enorm op. De eitjes worden afgezet in een cocon, die bestaat uit een ronde schijf van spinsel waarvan de zijkant wordt voorzien van een opstaande rand. Nu ontstaat een kamertje waarin de eitjes worden afgezet. De grootte van de cocon correleert met de grootte van de spin; een klein exemplaar zal een kleinere cocon bouwen. Dit geldt echter niet voor het aantal eitjes, dat varieert van enige tientallen tot honderden eitjes. Als de cocon af is, wordt deze voorzien van pluizige spinseldraden ter bescherming. De cocon wordt de eerste tijd bewaakt door het vrouwtje waarbij eventuele beschadigingen worden gerepareerd. De eicocons worden in herfst afgezet op verborgen plekken in planten en zie er uit als een pluk watten met in het midden de gelige eitjes. Het vrouwtje stopt met jagen en sterft vaak korte tijd nadat haar eiercocon is afgezet.

De eieren overwinteren; in de lente komen de jonge spinnetjes tevoorschijn, ze hebben een kenmerkende gele lichaamskleur en houden zich de eerste dagen op in een van spinsel gemaakt nest. Het groepje jonge kruisspinnen verspreid zich als het nest wordt verstoord om enige tijd later weer samen te komen. De jonge kruisspinnen of spiderlings leven de eerste tijd van het voedsel in hun dooier; hier doen ze ongeveer 7 tot 10 dagen mee. Daarna klimmen ze zo hoog mogelijk in een plant en laten ze uit hun achterlijf een lange draad de lucht in zweven. Deze draad wordt door de wind opgepakt en neemt de jonge spin mee de lucht in. Zo verspreiden de kleine spinnetjes zich -terwijl ze niet kunnen vliegen- door de lucht en kunnen honderden meters verder terechtkomen. De jonge spinnen maken een web dat al direct lijkt op dat van volwassen exemplaren, al het is het nog veel kleiner.

 

Ecologie:

De kruisspin bouwt zijn web op open plekken tussen lage boomtakken of in struiken, die echter van de wind zijn afgeschermd. Het web wordt gemakkelijk door regen en wind vernietigd waardoor de spin alleen voorkomt op beschutte plaatsen. Tuinen van mensen zijn voor de kruisspin ideaal, omdat deze vaak hogere begroeiing bevatten en relatief goed zijn afgeschermd van felle zon en van wind door het naastgelegen huis.

De kruisspin heeft een vochtige leefomgeving nodig en kan slecht tegen droogte en komt vooral voor in laaglanden. Een andere weersomstandigheid waar de spin onder lijdt is hevige regenval.

 

Voedsel:

Met het web, waarin de spin gewoonlijk ondersteboven in het centrum zit te wachten, wordt het voedsel gevangen. Het web wordt dagelijks opnieuw gesponnen, dit duurt ongeveer 20 minuten. Het is een wielvormig web waarbij het centrum zich iets boven het midden bevindt met een grote mate van symmetrie.

Het web wordt gemaakt op enige hoogte en bevindt zich vaak tussen twee takken. Sommige spinnen jagen op bodembewonende prooien en maken geen web, een voorbeeld is de wolfspin. Andere soorten hebben zich gespecialiseerd in het vangen van springende insecten die zich bij de bodem bevinden en jagen op bijvoorbeeld sprinkhanen zoals de wespspin. De kruisspin bezet een andere niche en bouwt het web op enige hoogte boven de bodem in struiken en lagere takken van bomen. Het web van de kruisspin is geschikt om vliegende insecten te vangen, zowel kleine als wat grotere vliegende insecten. Bekende prooien zijn vliegen en muggen, wespen en bijen maar ook grotere insecten zoals vlinders worden gegeten. Heel kleine prooien die in het web geraken, zoals bladluizen, worden genegeerd.

Zodra een prooi het web invliegt wordt de spin gealarmeerd door de trillingen van de draden van het web. Deze draden dienen speciaal om te spin te alarmeren en worden de signaaldraden genoemd. De spin snelt zich naar de prooi en wikkelt deze snel in spinsel. Pas daarna wordt een beet toegediend die de prooi verlamd. De ingepakte prooi wordt vervolgens uit het web gehaald en wordt in een schuilplaats van de spin opgegeten.

In de zomer van hun tweede levensjaar zijn de wijfjes zo groot dat ze een web van ongeveer 60 cm doorsnede maken. De spinnenwebben zijn voornamelijk tegen het eind van de zomer goed zichtbaar; de spinnen zaten er reeds lange tijd maar hun webben zijn nu veel groter geworden. Vooral bij vochtige weersomstandigheden zijn de webben duidelijk te zien doordat ze bedekt zijn met dauwdruppels waardoor ze een zilverachtige glans krijgen. Het grootste deel van de volwassen spinnen overleeft de eerste nachtvorst niet.

 

Vijanden:

De voornaamste vijanden van de kruisspin zijn verschillende insectenetende vogels, die de spin uit het web plukken. Ook verschillende andere spinnen zijn vijand, voornamelijk de spinneneters. Dit zijn spinnen die exclusief op andere spinnen jagen en in hun eigen web aanvallen, zoals de soorten uit het geslacht Ero. Daarnaast zijn kruispinnen kannibalistisch en eten kleinere soortgenoten op. Niet alleen mannetjes die met een vrouwtje willen paren moeten uitkijken, ook als twee vrouwtjes elkaar tegenkomen vallen ze elkaar aan en proberen elkaar in te spinnen.

Bij verstoring begint de spin hevig verticaal heen- en weer te schudden in het web door spiercontracties van de poten. Bij ernstige verstoring laat de spin zich loodrecht naar beneden vallen waarbij het lichaam met een spindraad wordt geankerd. De spin houdt zich op de bodem een tijdje schijndood waarbij de poten worden ingetrokken. Na enige tijd klimt de spin weer naar boven waarbij de ankerdraad wordt gebruikt.

Kruisspinnen hebben gifkaken maar gebruiken deze alleen om op prooien te jagen en niet om vijanden af te weren. Alleen als een spin tussen de vingers wordt vastgeklemd zal deze in het uiterste geval bijten wat pijnlijk is maar niet gevaarlijk.

De grootste vijand van de spinnen is het klimaat; ze lijden vooral onder droogte en zware regenval. Ook de mens is een belangrijke vijand omdat deze spinnen doodt en hun web vernielen. De spinnen moeten ook opletten voor sommige sluipwespen zoals de spinnendoders, die de spin verlammen en naar het nest brengen meestal een holletje onder de grond. In de verlamde spin wordt vervolgens een ei afgezet, als de larve van de sluipwesp uit het ei kruipt wordt de kruisspin levend en van binnenuit opgegeten.

 

Naamgeving en taxonomie:

De kruisspin werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven in 1757 door Carl Alexander Clerck als Araneus diadematus. De soort werd later beschreven door Linnaeus als Aranea diadema maar omdat de eerste naam telt is deze laatste naam vervallen. Ook werd de soort vroeger tot het geslacht Epeira gerekend, maar dit is achterhaald. De wetenschappelijke naam Araneus diadematus betekent vrij vertaald spin (Araneus) met een kroontje (diadematus) wat slaat op de karakteristieke vlekkentekening op het achterlijf. Ook de Nederlandse naam is te danken aan het witte 'kruis' op de bovenzijde van het achterlijf, dat is opgebouwd uit verschillende vlekken. In andere talen zoals het Zweeds (Korsspindel) wordt ook verwezen naar het kruis. In veel talen wordt de spin 'tuinspin' genoemd, een verwijzing naar het voorkomen van de soort in tuinen, zoals in het Engels (European garden spider).

De kruisspin behoort tot de familie wielwebspinnen of Araneidae, dit is een bekende groep van spinnen omdat ze allemaal een web maken dat lijkt op een wiel. Er zijn ongeveer 50 Europese soorten wielwebspinnen waarvan er ongeveer 25 voorkomen in Nederland. [1] Het geslacht Araneus waartoe de spin behoort wordt in Nederland vertegenwoordigd door zes andere soorten.

 

Ondersoorten:

De kruisspin wordt verdeeld in vier verschillende ondersoorten, die voornamelijk verschillen in verspreidingsgebied;

 

Araneus diadematus islandicus - IJsland

Araneus diadematus nemorosus - Frankrijk

Araneus diadematus soror - Corsica

Araneus diadematus stellatus - De rest van Europa

Title: Abhandlungen herausgegeben vom Naturwissenschaftlichen Verein zu Bremen

Identifier: abhandlungenhera17natu

Year: 1866- (1860s)

Authors: Naturwissenschaftlicher Verein zu Bremen

Subjects: Natural history; Natural history -- Germany

Publisher: Bremen : Im Selbstverlag des Naturwissenschaftlichen Vereins

Contributing Library: The LuEsther T Mertz Library, the New York Botanical Garden

Digitizing Sponsor: The LuEsther T Mertz Library, the New York Botanical Garden

  

View Book Page: Book Viewer

About This Book: Catalog Entry

View All Images: All Images From Book

 

Click here to view book online to see this illustration in context in a browseable online version of this book.

  

Text Appearing Before Image:

28 heiten des ganzen Körpers vorliegen, nur die Gestalt der Furca, der Mundwerkzeuge, vielleicht auch die Anzahl der Ommatidien, resp. Ocellen in erster Linie werden in Anrechnung bringen können. Nach diesen kurzen Ausführungen hoffe ich mit Recht Schöttella Schäffer als Subgenus der Gattung Achorutes Tempi, unterordnen zu können. Für die Gruppe der zweiklauigen Arten schlage ich den Namen Euachorutes nov. subgen. vor. Subgenus Euachorutes nov. subgen. Tarsen mit zwei Klauen. 8. A. armatns Nie. (Fig. 4, 12.) Die alte von Tullberg für diese Art aufgestellte Diagnose ist sehr wenig umfassend, weshalb ich dieselbe jetzt etwa folgender- massen fassen möchte: Behaarung sehr kräftig, neben kürzeren finden sich am ganzen Körper, namentlich am Hinterende des Abdomen lange, wenig ge- krümmte, nicht keulig verdickte, oft mit feinen Widerhäkchen ver- sehene Borsten. Antenne IV mit Riechkolben, Tast- und Riechhaaren. An der Spitze von Antenne III (Externseite) in Form zweier Borsten die Reste (?) des Antennalorganes der Aphorurinen. An der AusseD- seite ventralwärts befindet sich zwischen Antenne III und IV ein uasstülpbares säckchenförmiges Gebilde (Fig. 12). Antennen cylin-

 

Text Appearing After Image:

Fig. 12. Achorutes armatus Nie. Distales Ende der Antenne. Das Säckchen s ist ausgestülpt. x 500. drisch. 8 gleich grosse Ommatidien jederseits. Postautennalorgan in einer länglich dreieckigen Grube, mit vier meist uuregelmässig ge- stalteten um eine centrale Vertiefung gruppierten Tuberkeln, die in der Jugend häufig jeder einen zapfenförmigen Fortsatz zeigen. Tibien mit einem deutlichen Keulenhaar. Obere Klaue etwas gekrümmt, mit einem etwa in der Mitte inserierten scharfen Innenzahn und jederseits mit einem schwachen nahe der Basis stehenden Lateralzahn, der bei jungen Tieren meist nicht wahr- zunehmen ist. Untere Klaue borstenförmig, Borste ziemlich gerade,

  

Note About Images

Please note that these images are extracted from scanned page images that may have been digitally enhanced for readability - coloration and appearance of these illustrations may not perfectly resemble the original work.

De kruisspin (Araneus diadematus) is een middelgrote spin die behoort tot de familie wielwebspinnen (Araneidae).

De kruisspin is in tegenstelling tot veel andere spinnen geen schuwe soort, maar eentje die vaak midden in het web zit en moeilijk over het hoofd is te zien. De spin wordt ook relatief groot tot zo'n 17 millimeter. De naam is te danken aan de op een kruis gelijkend patroon op het achterlijf dat bestaat uit een groepje lichtere tot witte vlekjes die afsteken tegen de donkerbruine tot gele achtergrondkleur. De kruisspin is in Europa een van de meer algemene soorten en de spin komt ook in België en Nederland voor. Omdat de kruisspin in beschaduwde, van de wind afgeschermde hogere planten leeft duikt de spin vaak op in tuinen en hierdoor is het een van de bekendste Europese spinnen.

De kruisspin bouwt het web op enige hoogte en vangt voornamelijk vliegende insecten. De spin wordt zelf gegeten door insecteneters zoals vogels. De levenscyclus is tweejarig; de paring vindt plaats in de herfst en de eitjes overwinteren. In de lente komen ze uit en pas het volgende jaar worden de spinnen volwassen.

De kruisspin is door de Europese Arachnologische Vereniging uitgeroepen tot spin van het jaar 2010.

 

Verspreiding:

De kruisspin komt voor in zowel Noord-Amerika als in grote delen van Europa. In Noord-Amerika heeft de spin een groot verspreidingsgebied in het noorden, op de grens tussen de Verenigde Staten en Canada. De spin komt voor van het oosten in New Engeland tot in het westen in Brits-Columbia, Washington en Oregon.

In Europa komt de kruisspin voor van noordelijk Scandinavië tot in landen aan de Middellandse Zee. In Groot-Brittannië komt de spin overal voor op enkele locaties in noordelijk Schotland na. Op het eiland Ierland is de spin echter zeer zeldzaam en is hij alleen bekend van enkele verspreide populaties in het noorden.

In België en Nederland komt de soort overal algemeen voor. In Nederland is de spin ook aangetroffen op de Waddeneilanden.

 

Kenmerken:

Lichaamsdelen van een kruisspin:

A = poten

B = achterlijf

C = kopborststuk

D = ogen

E = kaak

F = palp

 

De kruisspin heeft geen typische kleur; er is veel variatie. De meeste exemplaren zijn bruin tot roodbruin van kleur maar ook afwijkende kleuren als geel, rood en oranje komen voor. Op het achterlijf is vrijwel altijd een wit kruis te zien.

De kruisspin kent net als veel andere spinnen een sterke seksuele dimorfie; dit wil zeggen dat de mannetjes en de vrouwtjes er totaal anders uitzien. [8] Als de spinnen net uit het ei komen is het geslacht niet vast te stellen maar bij de volwassen exemplaren zijn de vrouwtjes veel groter dan de mannetjes. De vrouwtjes bereiken een lichaamslengte van 12 tot 17 millimeter, exclusief poten, terwijl de mannetjes ongeveer 5 tot 10 millimeter lang worden. [6] Als de spinnen nog jong zijn, verschillen de mannetjes en wijfjes niet veel van elkaar. Na verloop van tijd groeien de wijfjes harder dan de mannetjes. In de zomer van hun tweede levensjaar, als de wijfjes volwassen worden, groeien ze zeer snel. Mannetjes hebben naar verhouding langere poten maar een beduidend kleiner achterlijf dan een vrouwtje. Vooral vrouwtjes die eieren dragen hebben een opvallend dik achterlijf.

Wat direct opvalt aan de spin zijn de vier paar lange poten. De poten dragen een stekelige beharing, de haartjes hebben een tastzintuiglijke functie. De kleur van de poten is bruin met afwisselende lichte banden. De poten bestaan net als bij andere spinnen uit zeven segmenten, waarvan de uiteinden de tarsen worden genoemd. Deze dragen kleine klauwtjes waarmee de spin zich aan de ondergrond hecht. Het voorste paar poten is het langst en wordt gebruikt om de omgeving af te tasten.

Het lichaam van de spin is verdeeld in twee zichtbare delen, de achterzijde wordt het achterlijf of abdomen genoemd en de voorzijde bestaat uit de met het borststuk gefuseerde kop, het kopborststuk of cephalothorax. Het kopborststuk is lichter gekleurd dan het achterlijf en ongevlekt. Aan de voorzijde van het kopborststuk zijn de ogen gelegen, de kruisspin heeft er acht in totaal. Aan de voorzijde zijn vier oogjes gelegen die iets van elkaar staan, aan weerszijden van de kop zijn steeds twee oogjes aanwezig die dichter tegen elkaar liggen. De ogen zijn donker van kleur en glanzend, ze doen kraalachtig aan. De ogen bestaan uit een enkele structuur met ieder een eigen lens, de ogen worden bij spinnen wel puntoogjes of ommatidiën genoemd. Aan de onderzijde van de kop bevinden zich twee paar kaken, (E) de bovenkaken zijn voorzien van klauw-achtige structuren en bevatten een gifkanaal, de gifklieren zijn gelegen in het kopborststuk. De spin neemt voedsel op door eerst verteringssappen in de prooi te brengen en deze vervolgens weer op te zuigen. Hierbij wordt de prooi al deels buiten het lichaam van de spin verteerd. De palpen hebben een zintuiglijke functie en worden door de mannetjes van veel soorten gebruikt als spermacapsule.

 

Achterlijf:.

Het achterlijf is bolvormig en rond van vorm, aan de achterzijde zijn zowel bij mannetjes als vrouwtjes altijd drie paar spintepels aanwezig. Dit zijn de uitscheidingsorganen waarmee het spinnenweb wordt gebouwd, maar ook prooien en eicocons worden omwikkeld. De spintepels kunnen verschillende soorten draden produceren; stevige en niet-kleverige draden om het frame van het web te maken en de eitjes te voorzien van een beschermende laag spinsel en kleverige vangdraden om prooien in het web te vangen.

De kruisspin is te herkennen aan de lichte vlekken op de bovenzijde van het achterlijf. Vrijwel alle exemplaren hebben een duidelijk kruisvormige groepering van de vlekken, slechts bij sommige exemplaren ontbreekt het kruis. Op de afbeelding is het vlekpatroon van een willekeurig exemplaar weergegeven in rustpositie; dus met de kop naar beneden. Het kruis wordt gevormd door een groep lichtere tot witte vlekken, die bestaan uit twee verticaal langwerpige vlekken aan de boven- en onderzijde en twee horizontaal langwerpige vlekken aan weerszijden. Daar waar de vlekken samenkomen is een vlek in het midden aanwezig. Aan weerszijden van de kleine vlek zijn twee vlekken aanwezig, waarbij de linkervlek vaak kleiner is dan die aan de rechterzijde. Boven de groep vlekken die het kruis vormen, wordt het kruismotief herhaald door kleinere ronde vlekjes.

De lichtere vlekken worden niet veroorzaakt door pigmenten maar door onder de huid gelegen cellen die gevuld zijn met guaninekristallen. De cellen die de kristallen bevatten worden wel guanocieten genoemd. Guanine ontstaat als afvalstof van de spijsvertering en wordt omgezet in kristallen en opgeslagen in de guanocieten. De kristallen weerkaatsen alle licht waardoor ze wit aandoen, de bovengelegen huidlaag is doorzichtig zodat ze goed opvallen.

 

Onderscheid met andere soorten:

De kruisspin lijkt enigszins op de eikenbladspin (Aculepeira ceropegia). Deze soort heeft echter een iets ander patroon op de rug, dat doet denken aan een vlampatroon. De eikenbladspin blijft kleiner en overwintert als jonge spin en niet als ei. Ook de viervlekwielwebspin (Araneus quadratus) lijkt door de vier lichtere vlekken op de kruisspin maar heeft een duidelijk boller achterlijf. Andere wielwebspinnen lijken niet op de kruisspin doordat ze bijvoorbeeld uitsteeksels hebben op het achterlijf, zoals de schouderkruisspin (Araneus angulatus) of een afwijkende lichaamsvorm hebben, zoals de platte wielwebspin (Nuctenea umbratica). Sommige wielwebspinnen zijn door hun andere kleuren gemakkelijk te onderscheiden, zoals de geelgestreepte wespspin.

 

Levenswijze:

De kruisspin moet net als alle geleedpotigen regelmatig vervellen om te kunnen groeien, hiertoe wordt het harde exoskelet vervangen door een nieuwe laag die de eerste tijd nog rekbaar is zodat het lichaam groter kan worden. Het exoskelet wordt in één keer afgeworpen tijdens de vervelling waarbij de nieuwe huid nog zacht is en dit geldt ook voor de poten en de kaken. De kruisspin is hierdoor erg kwetsbaar voor aanvallen van vijanden en trekt zich enige tijd voor de vervelling terug op een beschutte plaats en komt pas tevoorschijn als het lichaam is uitgehard.

De kruisspin is een groot deel van het leven bezig met het bouwen van een web. Het web is vergelijkbaar met dat van andere wielwebspinnen, deze familie van spinnen bouwt een vierkant frame met een spiraalvormige vangdraad in het midden die ondersteund wordt door een aantal draden die van het frame naar het midden van het web lopen en doen denken aan spaken. Het web in zijn geheel lijkt hierdoor op een fietswiel waaraan de naam van de spinnen te danken is. Het web raakt gemakkelijk beschadigd en snel vervuild, bovendien drogen de spinseldraden snel uit zodat het web iedere dag vervangen moet worden. Ook na iedere vangst moet het web gerepareerd worden omdat een spartelend prooidier het web beschadigt.

Bij het bouwen van het web wordt eerst een verticale draad gespannen die de brugdraad wordt genoemd. Vervolgens worden aan de onder- en bovenzijde twee horizontale draden gesponnen waarbij deze weer worden verbonden door een verticale draad aan de andere zijde. Zo is een vierkant ontstaan, waarbij een draad in het midden van boven naar beneden wordt gemaakt. Vervolgens maakt de spin draden van het midden van het web naar de randen van het vierkant, die lijken op spaken. Deze worden tenslotte verbonden door een spiraalvormige, kleverige vangdraad.

 

Voortplanting:

Jonge spinnetjes blijven bij elkaar maar bij verstoring rennen ze alle kanten op.

Aan het einde van de zomer is de kruisspin volwassen. Eenmaal volwassen maken de spinnen veel grotere webben dan jonge spinnen, waardoor ze goed opvallen. De vrouwtjes blijven in hun web terwijl mannetjes naar een vrouwtje op zoek gaan. De paring is voor een mannetje een hachelijke zaak; hij moet omzichtig te werk gaan om niet als prooi gezien te worden. Het mannetje is aanmerkelijk kleiner dan het vrouwtje en moet haar laten weten dat hij geen prooi is. Het mannetje produceert krijgt voor elkaar door trillingen te maken in het web van het vrouwtje.

De paring van spinnen is uitwendig, het mannetje heeft aan de monddelen of pedipalpen een ballonnetje wat de bulbus wordt genoemd. Deze heeft een pipet-achtige werking zodat sperma kan worden opgezogen en later in het vrouwelijke geslachtsorgaan of epigine kan worden afgegeven. Zowel de palp van het mannetje als de epigyne van het vrouwtje hebben bij de kruisspin een precies in elkaar passende vorm, zodat met de palp van een mannelijke kruisspin alleen in de epigine van een vrouwelijke kruisspin kan worden gebracht. Dit wordt nog versterkt door de stekels en haken die de palp draagt. Als de palp is gevuld met wordt het als een spermapakketje of spermatofoor ingebracht.

Tijdens de paring probeert het mannetje het vrouwtje zo snel mogelijk te bevruchten, dan loopt hij de minste kans om te worden opgegeten. Als het mannetje weet te ontsnappen kan hij nog een tweede keer paren, de mannetjes worden niet altijd opgegeten.

Na de bevruchting wordt het sperma opgeslagen in een speciaal kamertje, de spermatheek. Het vrouwtje heeft een gepaarde eileider waar de eicellen worden bevrucht en de eieren worden gevormd. Hierbij zwelt het achterlichaam enorm op. De eitjes worden afgezet in een cocon, die bestaat uit een ronde schijf van spinsel waarvan de zijkant wordt voorzien van een opstaande rand. Nu ontstaat een kamertje waarin de eitjes worden afgezet. De grootte van de cocon correleert met de grootte van de spin; een klein exemplaar zal een kleinere cocon bouwen. Dit geldt echter niet voor het aantal eitjes, dat varieert van enige tientallen tot honderden eitjes. Als de cocon af is, wordt deze voorzien van pluizige spinseldraden ter bescherming. De cocon wordt de eerste tijd bewaakt door het vrouwtje waarbij eventuele beschadigingen worden gerepareerd. De eicocons worden in herfst afgezet op verborgen plekken in planten en zie er uit als een pluk watten met in het midden de gelige eitjes. Het vrouwtje stopt met jagen en sterft vaak korte tijd nadat haar eiercocon is afgezet.

De eieren overwinteren; in de lente komen de jonge spinnetjes tevoorschijn, ze hebben een kenmerkende gele lichaamskleur en houden zich de eerste dagen op in een van spinsel gemaakt nest. Het groepje jonge kruisspinnen verspreid zich als het nest wordt verstoord om enige tijd later weer samen te komen. De jonge kruisspinnen of spiderlings leven de eerste tijd van het voedsel in hun dooier; hier doen ze ongeveer 7 tot 10 dagen mee. Daarna klimmen ze zo hoog mogelijk in een plant en laten ze uit hun achterlijf een lange draad de lucht in zweven. Deze draad wordt door de wind opgepakt en neemt de jonge spin mee de lucht in. Zo verspreiden de kleine spinnetjes zich -terwijl ze niet kunnen vliegen- door de lucht en kunnen honderden meters verder terechtkomen. De jonge spinnen maken een web dat al direct lijkt op dat van volwassen exemplaren, al het is het nog veel kleiner.

 

Ecologie:

De kruisspin bouwt zijn web op open plekken tussen lage boomtakken of in struiken, die echter van de wind zijn afgeschermd. Het web wordt gemakkelijk door regen en wind vernietigd waardoor de spin alleen voorkomt op beschutte plaatsen. Tuinen van mensen zijn voor de kruisspin ideaal, omdat deze vaak hogere begroeiing bevatten en relatief goed zijn afgeschermd van felle zon en van wind door het naastgelegen huis.

De kruisspin heeft een vochtige leefomgeving nodig en kan slecht tegen droogte en komt vooral voor in laaglanden. Een andere weersomstandigheid waar de spin onder lijdt is hevige regenval.

 

Voedsel:

Met het web, waarin de spin gewoonlijk ondersteboven in het centrum zit te wachten, wordt het voedsel gevangen. Het web wordt dagelijks opnieuw gesponnen, dit duurt ongeveer 20 minuten. Het is een wielvormig web waarbij het centrum zich iets boven het midden bevindt met een grote mate van symmetrie.

Het web wordt gemaakt op enige hoogte en bevindt zich vaak tussen twee takken. Sommige spinnen jagen op bodembewonende prooien en maken geen web, een voorbeeld is de wolfspin. Andere soorten hebben zich gespecialiseerd in het vangen van springende insecten die zich bij de bodem bevinden en jagen op bijvoorbeeld sprinkhanen zoals de wespspin. De kruisspin bezet een andere niche en bouwt het web op enige hoogte boven de bodem in struiken en lagere takken van bomen. Het web van de kruisspin is geschikt om vliegende insecten te vangen, zowel kleine als wat grotere vliegende insecten. Bekende prooien zijn vliegen en muggen, wespen en bijen maar ook grotere insecten zoals vlinders worden gegeten. Heel kleine prooien die in het web geraken, zoals bladluizen, worden genegeerd.

Zodra een prooi het web invliegt wordt de spin gealarmeerd door de trillingen van de draden van het web. Deze draden dienen speciaal om te spin te alarmeren en worden de signaaldraden genoemd. De spin snelt zich naar de prooi en wikkelt deze snel in spinsel. Pas daarna wordt een beet toegediend die de prooi verlamd. De ingepakte prooi wordt vervolgens uit het web gehaald en wordt in een schuilplaats van de spin opgegeten.

In de zomer van hun tweede levensjaar zijn de wijfjes zo groot dat ze een web van ongeveer 60 cm doorsnede maken. De spinnenwebben zijn voornamelijk tegen het eind van de zomer goed zichtbaar; de spinnen zaten er reeds lange tijd maar hun webben zijn nu veel groter geworden. Vooral bij vochtige weersomstandigheden zijn de webben duidelijk te zien doordat ze bedekt zijn met dauwdruppels waardoor ze een zilverachtige glans krijgen. Het grootste deel van de volwassen spinnen overleeft de eerste nachtvorst niet.

 

Vijanden:

De voornaamste vijanden van de kruisspin zijn verschillende insectenetende vogels, die de spin uit het web plukken. Ook verschillende andere spinnen zijn vijand, voornamelijk de spinneneters. Dit zijn spinnen die exclusief op andere spinnen jagen en in hun eigen web aanvallen, zoals de soorten uit het geslacht Ero. Daarnaast zijn kruispinnen kannibalistisch en eten kleinere soortgenoten op. Niet alleen mannetjes die met een vrouwtje willen paren moeten uitkijken, ook als twee vrouwtjes elkaar tegenkomen vallen ze elkaar aan en proberen elkaar in te spinnen.

Bij verstoring begint de spin hevig verticaal heen- en weer te schudden in het web door spiercontracties van de poten. Bij ernstige verstoring laat de spin zich loodrecht naar beneden vallen waarbij het lichaam met een spindraad wordt geankerd. De spin houdt zich op de bodem een tijdje schijndood waarbij de poten worden ingetrokken. Na enige tijd klimt de spin weer naar boven waarbij de ankerdraad wordt gebruikt.

Kruisspinnen hebben gifkaken maar gebruiken deze alleen om op prooien te jagen en niet om vijanden af te weren. Alleen als een spin tussen de vingers wordt vastgeklemd zal deze in het uiterste geval bijten wat pijnlijk is maar niet gevaarlijk.

De grootste vijand van de spinnen is het klimaat; ze lijden vooral onder droogte en zware regenval. Ook de mens is een belangrijke vijand omdat deze spinnen doodt en hun web vernielen. De spinnen moeten ook opletten voor sommige sluipwespen zoals de spinnendoders, die de spin verlammen en naar het nest brengen meestal een holletje onder de grond. In de verlamde spin wordt vervolgens een ei afgezet, als de larve van de sluipwesp uit het ei kruipt wordt de kruisspin levend en van binnenuit opgegeten.

 

Naamgeving en taxonomie:

De kruisspin werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven in 1757 door Carl Alexander Clerck als Araneus diadematus. De soort werd later beschreven door Linnaeus als Aranea diadema maar omdat de eerste naam telt is deze laatste naam vervallen. Ook werd de soort vroeger tot het geslacht Epeira gerekend, maar dit is achterhaald. De wetenschappelijke naam Araneus diadematus betekent vrij vertaald spin (Araneus) met een kroontje (diadematus) wat slaat op de karakteristieke vlekkentekening op het achterlijf. Ook de Nederlandse naam is te danken aan het witte 'kruis' op de bovenzijde van het achterlijf, dat is opgebouwd uit verschillende vlekken. In andere talen zoals het Zweeds (Korsspindel) wordt ook verwezen naar het kruis. In veel talen wordt de spin 'tuinspin' genoemd, een verwijzing naar het voorkomen van de soort in tuinen, zoals in het Engels (European garden spider).

De kruisspin behoort tot de familie wielwebspinnen of Araneidae, dit is een bekende groep van spinnen omdat ze allemaal een web maken dat lijkt op een wiel. Er zijn ongeveer 50 Europese soorten wielwebspinnen waarvan er ongeveer 25 voorkomen in Nederland. [1] Het geslacht Araneus waartoe de spin behoort wordt in Nederland vertegenwoordigd door zes andere soorten.

 

Ondersoorten:

De kruisspin wordt verdeeld in vier verschillende ondersoorten, die voornamelijk verschillen in verspreidingsgebied;

 

Araneus diadematus islandicus - IJsland

Araneus diadematus nemorosus - Frankrijk

Araneus diadematus soror - Corsica

Araneus diadematus stellatus - De rest van Europa

Querschnitt durch das Facettenauge einer Stubenfliege (Musca domestica).

Die Facettenaugen einer Stubenfliege setzen sich aus einer Vielzahl von Einzelaugen (Ommatidien) zusammen, von denen jedes acht Sinneszellen enthält. Jedes Einzelauge sieht nur einen winzigen Ausschnitt der Umgebung, das Gesamtbild ist ein Mosaik aus allen Einzelbildern. Die Anzahl der Einzelaugen kann zwischen einigen Hundert bis hin zu einigen Zehntausend liegen. Die Auflösung des Facettenauges ist durch die Anzahl der Einzelaugen begrenzt und ist daher weit geringer als die Auflösung des Linsenauges.

De hoornaar (Vespa crabro) is een vliesvleugelig insect uit de familie plooivleugelwespen (Vespidae). De hoornaar behoort tot de echte wespen of papierwespen (Vespinae) en is een van de bekendere soorten wespen in Europa.

 

De hoornaar kan tot 3,5 centimeter lang worden en is hiermee de grootste wespachtige van België en Nederland. Daarnaast komt de wesp voor in delen van Azië en is door de mens uitgezet in Noord-Amerika. Behalve door indrukwekkende afmetingen valt de hoornaar op door zijn roodbruine kop en borststuk en het duidelijk hoorbare, zoemende vlieggeluid. De soort komt niet in grote aantallen voor in België en Nederland, maar is ook weer geen zeldzaamheid. De hoornaar is vooral aan te treffen in het oosten van Nederland. De hoornaar wordt meer dan twee keer zo groot als de meeste andere wespen zoals die uit het geslacht Vespula. Ondanks de indrukwekkende lichaamsgrootte en het luide gezoem is de hoornaar beduidend minder agressief in vergelijking met andere wespen.

 

De steek van de hoornaar is pijnlijker dan de steek van een honingbij maar het gif is minder krachtig. Hoornaars gebruiken het gif om insecten te doden die zij vervolgens met de kaken vermalen tot een papje en aan de larven voeren. De larven geven op hun beurt een zoete vloeistof af aan de werksters die de suikers gebruiken als brandstof om te kunnen vliegen en zo nog meer insecten te vangen.

 

Het nest wordt gemaakt van cellulosevezels die van bomen worden geknaagd. Het nest is bolvormig en bestaat uit meerdere raten. In het nest van de hoornaar is geen honing aanwezig zoals bij de ver verwante honingbij het geval is.

 

Vroeger werden verschillende soorten erkend zoals de Duitse hoornaar (Vespa germanica), de middelste hoornaar (Vespa media) en de grote hoornaar (Vespa crabro). Deze drie worden tegenwoordig als ondersoorten van de hoornaar Vespa crabro gezien, al wordt in veel literatuur nog de oude situatie vermeld.

 

De soort werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Carolus Linnaeus in 1758. Later werd onder andere de wetenschappelijke naam Vespa vulgata gebruikt en de wesp is ook beschreven als Macrovespa crabro. Deze namen worden beschouwd als verouderd en worden wel synoniemen genoemd, in de literatuur duiken dergelijke namen echter nog op.

 

De hoornaar is in de Nederlandse taal tevens bekend onder de namen hoorntje of paardenwesp. In het Fries wordt de hoornaar hoarnbij genoemd.

 

In het verleden werden andere namen gebruikt, Corneel Kiel noemde de hoornaar in zijn publicatie uit 1588 horener en de wesp werd in 1777 door Antoine Angélique Chomel beschreven onder de naam hornaar.

 

De hoornaar wordt in de Nederlandse taal soms wel horzel genoemd, niet alleen in de volksmond (zoals in de Friese taal) maar ook door sommige dierenencyclopedieën. In België wordt de hoornaar in de Vlaamse media horzel genoemd. De Oud-Slavische naam van de horzel is hornut, wat sterk lijkt op het Engelse 'hornet', de naam hornet wordt uitsluitend gebruikt voor de hoornaar. De horzels (familie Oestridae) zijn echter geheel andere insecten die behoren tot de vliegen en niet tot de wespen. Horzels, met als bekendste soort de runderhorzel, kunnen niet bijten en in tegenstelling tot de hoornaar niet steken.

 

Het verspreidingsgebied van de hoornaar beslaat vrijwel geheel Europa en delen van Azië, daarnaast komt de soort voor in zuidoostelijk Noord-Amerika. In Noord-Amerika is de hoornaar verspreid door de mens en komt hier van nature niet voor. De wesp heeft zich hier kunnen handhaven in het zuidoosten en het areaal is sinds de introductie van de wesp flink uitgebreid. In mei 2005 werd een exemplaar aangetroffen in Guatemala, dit is het enige land in Zuid-Amerika waar de hoornaar is gesignaleerd.

 

Binnen Europa is de noordelijkste grens van het verspreidingsgebied gelegen op ongeveer de 63e breedtegraad. De hoornaar komt voor tot in het zuiden van Noorwegen en Finland. In grote delen van het verspreidingsgebied van Duitsland was de hoornaar lange tijd algemeen, maar de soort is hier in delen van het land zeldzamer geworden. In het Verenigd Koninkrijk komt de hoornaar vooral voor in het uiterste zuidoosten, en noordwaarts zijn populaties te vinden tot grofweg de stad York. Vroeger was een populatie bekend in het zuiden van Ierland maar de soort is hier sinds 1999 niet meer waargenomen.

 

De hoornaar komt in Nederland voornamelijk voor op de zandgronden in het zuiden en oosten, maar is de laatste jaren ook vaker in het westen en noorden van Nederland gezien. In België komt de hoornaar zelden voor, met uitzondering van de Kempen en Limburg alsook in het Pajottenland (Vlaams Brabant).

 

Buiten Europa komt de hoornaar voor in delen van de Verenigde Staten en in zuidelijk Canada. In de Verenigde Staten is de wesp in de negentiende eeuw uitgezet. De eerste melding van de hoornaar kwam uit de staat New York ongeveer rond 1840.

 

De hoornaar heeft zich verspreid naar de staten Louisiana, North Dakota, Tennessee en South Dakota. Tegenwoordig komt de wesp westelijk voor tot in Texas, zuidelijk tot in North Carolina en noordelijker tot in delen van Canada. In de staat Mississippi zijn ten westen van de rivier de Mississippi alleen enkele versnipperde populaties bekend.

 

De hoornaar is de grootste wesp van westelijk Europa. De hoornaar wordt gemiddeld 30 millimeter lang, maar koninginnen kunnen beduidend groter zijn. Werksters bereiken een lichaamslengte van 18 tot 24 mm, koninginnen een lengte van 25 tot 35 mm en mannetjes worden 21 tot 28 mm lang.

 

De kop valt op vanwege de grootte; niet alleen is de kop groter door de langere lichaamslengte, relatief gezien heeft een hoornaar een groter vertex of kopschild in vergelijking met andere wespen. Daarnaast heeft de kop een oranje tot rode kleur terwijl verwante plooivleugelwespen een zwart met gele kleur hebben.

 

De ogen van de hoornaar zijn niet rond of ovaal zoals bij veel andere insecten maar zijn langwerpig van vorm. De ogen hebben een komma- achtige vorm. Het voorste deel van het oog is aan de voorzijde van de kop gelegen aan de onderzijde. Het oogoppervlak beslaat naar boven toe de zijkant van de kop van de wesp en kromt hier naar voren. De ogen bestaan uit vele kleine suboogjes die de ommatidiën worden genoemd. Het geheel wordt het facetoog genoemd. Bovenop de kop zijn drie kleine, donker gekleurde individuele oogjes aanwezig, de ocelli. Deze hebben een visueel ondergeschikte functie en kunnen alleen grove lichtverschuivingen waarnemen en geen beelden vormen.

 

In vergelijking met andere wespen heeft de hoornaar een sterk vergroot clypeus, de clypeus is als het ware het 'gezicht' van een insect. De clypeus is een verharde plaat die gelegen is tussen de antennen als bovengrens en de bovenkaak als ondergrens. De hoornaar heeft twee duidelijke kaken die de mandibels worden genoemd. De kaken zijn grotendeels geel van kleur, alleen de binnenzijden zijn zwart gekleurd. Met de kaken worden prooidieren in stukjes geknipt.

 

Mannetjes zijn van de werksters te onderscheiden aan een aantal kenmerken, voornamelijk aan de kop. De omgeving van de ocelli is bij de mannetjes donkerder, deze donkere kleur loopt door naar de basis van de antennes. Ook de antennes verschillen, deze zijn donkerder en hebben meer tyloïden. Dit zijn kleine groepjes zintuiglijke cellen op de antennes. Bij de werksters en vrouwtjes is één tyloïde per antennesegment aanwezig. Bij de mannetjes zijn dit er twee, uitgezonderd het eerste segment dat er één heeft.

 

Het borststuk is het breedste en meest gewelfde deel van het lichaam, het borststuk wordt de thorax genoemd en bestaat uit drie delen. Het borststuk draagt twee paar vleugels aan de bovenzijde en drie paar poten aan de onderzijde. Aan ieder segment is aan de onderzijde een paar poten gehecht en de vleugels zijn op het tweede en derde thoraxsegment gepositioneerd, gezien vanaf de kop. De vleugels van de hoornaar zijn langwerpig van vorm en hebben een rokerige, roodbruine kleur vanuit de zijkant bezien.

 

Het borststuk beschermt de belangrijkste delen van het lichaam; de poten en de vleugelspieren. Het is hiertoe voorzien van enkele verharde platen. De voorzijde van het borststuk is bedekt met het halsschild of pronotum, dit schild bestaat uit een rand aan de achterzijde van de kop die aan weerszijden breder wordt. Het pronotum sluit aan bij de grootste en meest prominent zichtbare plaat op het borststuk, deze wordt wel het mesoscutum genoemd.

 

De kleur van de verschillende delen van het borststuk kan per ondersoort verschillen. De kleur van het achterste deel van het borststuk, de metathorax is bij de ondersoort Vespa crabro crabro zwart van kleur terwijl bij het metathorax van Vespa crabro germana een rode, V- vormige vlek aanwezig is.

 

Het achterlijf bestaat uit segmenten, de achterlijfssegmenten worden aan de bovenzijde als de onderzijde beschermd door verharde platen. De platen aan de onderzijde van ieder segment worden de sternieten genoemd en die aan de bovenzijde de tergieten. Bij de hoornaar is de eerste tergiet roodbruin gekleurd, net als de thorax.

 

Het achterlijf bevat de belangrijkste organen, zoals ademhalingsapparaat, het spijsverteringsstelsel en de geslachtsorganen. De ademopeningen zijn aan de zijkanten van de achterlijfssegmenten gelegen.

 

Aan het einde van het achterlijf bevinden zich de geslachtsorganen, bij de mannetjes bestaan deze uit de aedeagus en bij het vrouwtje uit de geslachtsopening. De meeste soorten wespen hebben een lange legbuis waardoor de eieren in de ondergrond -zoals een boom- of in een prooidier kunnen worden afgezet - zoals een rups.

 

De plooivleugelwespen waartoe de hoornaar behoort hebben een gespecialiseerde legbuis, die niet meer wordt gebruikt om de eieren af te zetten. De eieren komen uit het lichaam via de genitale opening waardoor de functie van de legbuis overbodig is geworden. De legbuis is omgebouwd tot een steekorgaan dat de angel wordt genoemd en alleen dient ter verdediging. De angel van de hoornaar is niet voorzien van weerhaken, zoals bij de honingbij het geval is. De angel gaat niet verloren na een steek en kan telkens opnieuw gebruikt worden. De angel is hol en aan de basis is een gifklier gelegen die bij een steek een kleine hoeveelheid gif afgeeft. Het gif is dodelijk voor andere insecten waardoor deze gemakkelijk kunnen worden buitgemaakt.

 

De hoornaar is in België en Nederland gemakkelijk te onderscheiden van verschillende andere wespen, zoals de Duitse wesp (Vespula germanica) en de gewone wesp (Vespula vulgaris). Deze soorten blijven bijna twee keer zo klein en hebben altijd zwart met gele kleuren en nooit een zwarte en roodoranje kleur. De werkster en koningin van de Duitse wesp worden respectievelijk 15 en 20 mm lang, die van de gewone wesp 14 en 19 mm.

 

De hoornaar wordt door verschillende vertegenwoordigers van andere insectengroepen geïmiteerd. Dergelijke insecten zijn zelf volkomen onschuldig maar ze worden door vijanden aangezien voor de hoornaar en profiteren hiervan omdat ze met rust worden gelaten. Een voorbeeld is de stadsreus (Volucella zonaria), een zweefvlieg die net als de hoornaar een rode kop en borststuk heeft met een gelig achterlijf dat zwarte strepen draagt.

 

Ook de eveneens weerloze hoornaarsvlinder (Sesia apiformis) lijkt op de hoornaar vanwege de bruine kleuren en de grootte van het lichaam. Deze soort behoort tot de vlinders maar lijkt uiterlijk meer op een wesp. De hoornaarsvlinder heeft grotendeels doorzichtige vleugels om de gelijkenis te versterken. De hoornaarsvlinder vertoont een vorm van mimicry, de vlinder lijkt zo sterk op de hoornaar dat andere dieren de vlinder voor de zekerheid uit de weg gaan. De vlinder is te onderscheiden aan zijn opvallende roltong en de ronde ogen.

 

In Noord-Amerika is de soort te verwarren met grotere soorten graafwespen uit de familie graafwespen (Crabronidae), zoals de soort Sphecius speciosus. Laatstgenoemde soort jaagt op cicades en leeft solitair, er is dus geen geen koningin die een nest maakt en er zijn geen werksters maar alleen mannetjes en vrouwtjes zoals bij de meeste insecten.

 

De hoornaar is een typische rover die grote hoeveelheden insecten vangt en doodt om ze vervolgens te voeren aan de larven. De hoornaars leven zelf van verschillende suikerrijke plantensappen en niet van dierlijk materiaal.

 

Hoornaars vangen in hoofdzaak andere insecten en dan voornamelijk vliegen en muggen. Daarnaast worden kleinere plooivleugelwespen, honingbijen en vlinders en de rupsen hiervan buitgemaakt. Naast insecten worden ook veel spinnen gevangen.

 

In 2001 publiceerden onderzoekers een verslag van de aanvallen van hoornaars op libellen op locaties in Wit-Rusland en Italië. Op de locatie in Wit-Rusland waren de steenrode heidelibel en de bloedrode heidelibel het slachtoffer, in Italië een soort beekjuffer, de koperen beekjuffer. Uit de waarnemingen concludeerden de onderzoekers dat hoornaars regelmatig op libellen jagen.

 

Van andere soorten hoornaars is bekend dat ze de nesten van bijen aanvallen en geheel leegroven, een voorbeeld is de Aziatische hoornaar (Vespa mandarinia). Dergelijke soorten worden als bedreiging van de honingbij gezien. Van de Europese hoornaar is dit gedrag niet bekend.

 

De werksters worden grotendeels gevoed door de larven in het eigen nest. De larven worden gevoerd met dierlijk materiaal en produceren een zoetige vloeistof die ze weer afgeven door de monddelen. Deze suikerrijke vloeistof wordt vervolgens door de werksters opgezogen. De larven moeten groeien en hebben behoefte aan proteïnen om het lichaam om te kunnen bouwen tijdens de metamorfose of het popstadium. Ze bewegen niet veel en hebben dan ook geen behoefte aan suikers. Dit in tegenstelling tot de volwassen werksters, die veel vliegen en de energierijke suikers nodig hebben als brandstof.

 

De werksters vullen hun energievoorraad daarnaast aan met verschillende plantaardige vloeistoffen die worden opgenomen door de monddelen. De hoornaar likt vaak het uittredende sap op van beschadigde bomen, waarbij de bastranden open worden geknaagd met de kaken. Voornamelijk de eik wordt door de wesp gebruikt als leverancier van suikerrijke sappen. Daarnaast worden de takken van de planten es (Fraxinus excelsior) en sering (Syringa vulgaris) wel open geknaagd om een sapstroom op gang te brengen. Tenslotte worden ook sappen uit afgevallen, rijp fruit opgenomen.

 

Er zijn maar weinig gevallen bekend waarbij nectar uit een bloem wordt opgezogen zoals van honingbijen en veel andere wespen bekend is. Een plant waarbij een dergelijke waarneming wel bekend is, is Hedera. De hoornaar zuigt daarnaast de zoete afscheiding van bladluizen op die voorkomen op de boswilg (Salix caprea)

 

De meeste bijen en wespen houden niet van nat weer of van wind en blijven dan in het nest. De hoornaar is zelfs dan actief op zoek naar prooien voor de larven. De hoornaar vliegt zelfs 's nachts, wat zeer ongebruikelijk is voor wespen. De wesp wordt aangetrokken door kunstlicht af en komt dan af op menselijke bebouwing. De hoornaar is in staat om bij maanlicht ook 's nachts te jagen en maakt dan veel nachtvlinders buit. De hoornaar is een effectieve insectenbestrijder doordat ze grotere prooien aankan dan de andere wespen, ook grote insecten als libellen worden gedood en in stukjes geknipt met de sterke kaken.

 

De hoornaar heeft een kenmerkende manier van eten, de wesp hangt dan ondersteboven aan een tak waarbij het dier slechts een enkele poot gebruikt om zich te ankeren. De overige poten worden gebruikt om de prooi vast te houden terwijl deze door de kaken aan stukjes wordt geknipt. Een prooidier wordt hierbij eerst ontdaan van de vleugels, poten en kop door deze eraf te bijten, daarna wordt de rest van de prooi fijngemalen en naar het nest gebracht.

 

De volwassen hoornaar wordt door veel dieren met rust gelaten vanwege de pijnlijke steek. Er zijn enkele uitzonderingen die zich niets aantrekken van de angel en juist graag hoornaars eten. Een voorbeeld is de wespendief (Pernis apivorus), een roofvogel die in grote delen van Europa voorkomt. Van de wespendief is bekend dat alle hoornaars van een nest kunnen worden opgegeten waarbij de gehele kolonie wordt vernietigd.

 

In het nest leven verschillende insecten die tot heel verschillende groepen kunnen behoren. Het feit dat het nest van de hoornaar andere insecten aantrekt is een van de redenen dat nooit tweemaal hetzelfde nest wordt gebruikt.

 

Sommige insecten die in het nest leven zijn slechts detrituseters die de hoornaars ontdoen van hun afval, voorbeelden zijn de larven van de vlieg Fannia caniculari en van de kever het diefje (Ptinus fur). Andere insecten zijn echte rovers die jagen op het gebroed, zoals de kortschildkever Velleius dilatatus en de bonte kever Korynetes caeruleus. Tenslotte zijn er verschillende parasieten bekend die leven op de hoornaar. Een voorbeeld is de sluipwesp Sphecophaga vesparum. Deze wesp legt eitjes in de poppen waardoor zij hun levensvatbaarheid verliezen. Uit de pop komen vervolgens jonge sluipwespjes tevoorschijn in plaats van een hoornaar.

 

De hoornaar is een eusociale wesp, dit betekent dat de wespen in een kolonie wonen met verschillende generaties waarbij zich broedzorg voordoet. Het aantal hoornaars binnen een kolonie is relatief klein in vergelijking met de bekendere soorten eusociale insecten. Er komen meestal enkele honderden exemplaren voor per nest, maar nooit meer dan 1000 exemplaren. Bij de verwante gewone wesp zijn nesten van 7000 individuen niet zeldzaam.

 

Hoornaars overleven de winter niet, ze leven net als andere wespensoorten slechts één seizoen. Alleen de koningin die aan het eind van het seizoen werd geboren, overwintert om het volgende jaar een nieuw nest te maken. Zij komt rond eind april tevoorschijn uit haar winterslaap.

 

De koningin bouwt het nest begin mei vaak in de buurt van het winterkwartier. Ze bouwt altijd een nieuw nest en gebruikt nooit een oud nest. Dit basisnest is bolvormig en bevat nog een enkele raat die erg klein is en slechts enige tientallen cellen bevat.

 

De koningin is in het voorgaande jaar bevrucht door een mannetje en kan dus eitjes afzetten, ze zet het eerste eitje af rond medio mei. De eitjes zijn enkele millimeters lang, ze zijn klein en wit van kleur en langwerpig van vorm. De eitjes komen eind mei uit waarbij de larven verschijnen die worden verzorgd door de koningin. Begin juni zijn de larven volledig ontwikkeld waarna ze hun cel aan de bovenzijde dichtspinnen en zich verpoppen. Omstreeks eind juni verschijnen de eerste werksters die vervolgens alle taken van de koningin overnemen, behalve het leggen van de eieren. Het takenpakket van de werksters omvat verder het uitbouwen van het nest, het verzorgen van de eitjes en de larven en het verjagen van indringers. Pas als de eerste groep werksters is verschenen, wordt begonnen aan de bouw van het echte nest.

 

Het uiteindelijke nest wordt gebouwd vanaf mei en wordt meestal op enige hoogte geconstrueerd. De nestlocatie is vaak donker en enigszins afgeschermd. Meestal wordt het nest gemaakt in een holle boom, maar soms worden graspollen als nestlocatie gebruikt en ook ondergrondse nesten zijn bekend. Ook is bekend dat de hoornaar zijn nest maakt in holtes in het nest van de gele weidemier (Lasius flavus). Als de ruimte om een nest te bouwen te klein wordt, verlaten de wespen het oude nest en wordt een nieuw nest gebouwd.

 

Ook menselijke constructies kunnen worden gebruikt om een nest te maken, zoals nestkastjes van vogels, in tuinhuisjes en schuurtjes, onder daken, in huizen of vrij hangend in een boom of struik in de tuin.

 

Het nest wordt gemaakt van cellulosevezels die van dode bomen worden afgeknaagd. Er worden hiervoor altijd loofbomen gebruikt. De wesp knaagt ook wel houtvezels van tuinornamenten zoals rietmatten en aangetast hout.

 

Het nest telt uiteindelijk ongeveer 1500 cellen en is opgebouwd uit vijf horizontale lagen. Het geheel wordt aan de buitenzijde voorzien van een bolvormig omhulsel zodat de cellen niet zichtbaar zijn. De nestopening is aan de onderzijde gepositioneerd. Hierdoor kunnen de wespen naar binnen en naar buiten vliegen en ook het nestafval wordt hierdoor naar buiten gegooid.

 

Eind augustus begint de koningin met het afzetten van eitjes waaruit geen onvruchtbare werksters meer kruipen, maar vruchtbare mannetjes en jonge koninginnen. De mannetjes worden hierbij het eerst geboren en door de werksters opgekweekt, pas later verschijnen de jonge koninginnen.

 

De koninginnen zullen later uitvliegen en paren met de mannetjes. Hierdoor worden de nieuwe koninginnen bevrucht Ze zetten nog geen eitjes af maar slaan het sperma op in hun lichaam. De mannetjes sterven kort na de paring. De jonge koninginnen vliegen uit en verspreiden zich, ze zoeken vervolgens een schuilplaats om te overwinteren. Ondertussen wordt de 'oude' koninginnen steeds meer genegeerd door de werksters en uiteindelijk sterven zij. De laatste werksters houden het uit tot eind oktober of begin november, een nachtvorst is vaak fataal voor de laatste werksters van de kolonie. In de lente verlaat de jonge koningin haar schuilplaats en begint de cyclus opnieuw.

 

De hoornaar is gevoelig voor kou in de lente. Als de temperaturen relatief laag zijn komen er veel minder nesten tot ontwikkeling dan bij hogere temperaturen.

 

Hoornaars komen al voor in de bijbel, ze verschijnen in het boek Exodus 23:28, Deuteronomium 7:20 en Jozua 24:12 door de Here gebruikt om vijanden van de Israëlieten te verdrijven. Volgens Jeremia 46:20 worden hoornaars door Egypte aangetrokken.

 

Hoornaars hebben een onverdiend slechte naam als het gaat om hun agressiviteit. Hoornaars zijn juist minder agressief dan de andere bekende plooivleugelwespen zoals de gewone wesp en de Duitse wesp. De hoornaar zoekt de mens ook zelden op, in tegenstelling tot eerder genoemde wespen die ook wel 'limonadewespen' worden genoemd omdat ze afkomen op zoetigheden zoals frisdrank. De hoornaar wordt in de regel alleen agressief binnen een straal van vijf meter van het nest. Als men deze veiligheidsafstand aanhoudt hoeft een nest in de buurt van verhoogde menselijke activiteiten geen problemen op te leveren, zelfs niet in de buurt van bijvoorbeeld een kleuterschool. Als men het nest benadert, komen de werksters luid brommend aanvliegen wat een afschrikwekkend effect heeft. Het handhaven van een nest van de hoornaar in de omgeving heeft als voordeel dat men minder last heeft van andere insecten zoals andere soorten wespen en verschillende soorten vliegen. Indien een nest op een lastig te negeren plaats wordt gemaakt, zoals naast de voordeur van een gebouw, kan het nest beter verwijderd worden. Hiervoor kan men een imker inschakelen om het nest te verwijderen.

 

De steek van de hoornaar is pijnlijker dan die van een gewone plooivleugelwesp of een honingbij. De hoornaar steekt minder snel - al kan de hoornaar wel erg weerbaar zijn als het erop aankomt een nest te verdedigen. In de volksmond doen fabels de ronde dat een paar steken al voldoende zouden zijn een mens of een paard te doden. Dit is onwaar, tenzij de persoon in kwestie toevallig allergisch is voor het gif dat wordt afgegeven. In de wetenschappelijke literatuur is één geval beschreven van een fatale afloop na meerdere steken van Vespa crabro.

 

Het gif van de hoornaar is zwakker dan dat van bijen. Hoornaargif dient voornamelijk om ongewervelden te doden, en secundair om het nest te beschermen. Honingbijen hebben een nest waarin een honingvoorraad is opgeslagen, en moeten dat verdedigen tegen dieren zoals dassen, en beren. Het werkt daardoor krachtiger op zoogdieren dan wespengif, die deze natuurlijke vijanden niet hebben.

 

De LD50 van bijengif op ratten is ongeveer 6 milligram per kilo lichaamsgewicht, dat van de hoornaar varieert van 10 tot 90 milligram. De kans op een gevaarlijke allergische reactie lijkt bij de hoornaar overigens wat groter dan bij andere wespen. Het gif is vergelijkbaar met dat van andere wespen (en bijen), maar het bevat een hogere concentratie van de neurotransmitter acetylcholine, waardoor de steek erg branderig aanvoelt. Desensibilisatiekuren met gewoon wespengif zijn ook effectief tegen hoornaargif. Net als bij gewone wespen zijn voor een gezond persoon circa 500-1000 steken nodig om tot een dodelijke dosis te komen. Aangezien nesten nooit meer dan 1000 exemplaren tellen en slechts één op de tien exemplaren uit het nest zullen aanvallen om te steken is de kans op een dodelijke afloop vrijwel uitgesloten.

 

In augustus 2009 zouden volgens onbevestigde berichten in de populaire pers twee mensen in Kroatië door steken van hoornaars zijn overleden; in beide gevallen ging het om mensen die bomen aan het kappen waren. In België kwam in 2011 een bejaarde man om na gestoken te zijn door hoornaars. In 2013 overleed een Nederlandse man in Frankrijk door een hoornaarsteek.

 

Om een steek van de hoornaar te voorkomen moet men voorkomen in de buurt van het nest te komen, ook dient de aanvliegroute te worden vermeden. Het ademen in de richting van het nest alarmeert de wespen, evenals onverwachte bewegingen en het veroorzaken van trillingen. Na een steek biedt het koelen van de huid enige verzachting. Als de huid rond de steek sterk begint te zwellen dient men een arts raad te plegen.

 

De hoornaar behoort tot de insectenorde vliesvleugeligen (Hymenoptera) en de familie plooivleugelwespen (Vespidae). De meeste soorten uit deze familie behoorden ooit tot het geslacht Vespa, zodat het geslacht gezien werd als de 'typische' wespen. Tegenwoordig behoren de meeste soorten tot andere geslachten, zoals Vespula en Dolichovespula.

  

De kruisspin (Araneus diadematus) is een middelgrote spin die behoort tot de familie wielwebspinnen (Araneidae).

De kruisspin is in tegenstelling tot veel andere spinnen geen schuwe soort, maar eentje die vaak midden in het web zit en moeilijk over het hoofd is te zien. De spin wordt ook relatief groot tot zo'n 17 millimeter. De naam is te danken aan de op een kruis gelijkend patroon op het achterlijf dat bestaat uit een groepje lichtere tot witte vlekjes die afsteken tegen de donkerbruine tot gele achtergrondkleur. De kruisspin is in Europa een van de meer algemene soorten en de spin komt ook in België en Nederland voor. Omdat de kruisspin in beschaduwde, van de wind afgeschermde hogere planten leeft duikt de spin vaak op in tuinen en hierdoor is het een van de bekendste Europese spinnen.

De kruisspin bouwt het web op enige hoogte en vangt voornamelijk vliegende insecten. De spin wordt zelf gegeten door insecteneters zoals vogels. De levenscyclus is tweejarig; de paring vindt plaats in de herfst en de eitjes overwinteren. In de lente komen ze uit en pas het volgende jaar worden de spinnen volwassen.

De kruisspin is door de Europese Arachnologische Vereniging uitgeroepen tot spin van het jaar 2010.

 

Verspreiding:

De kruisspin komt voor in zowel Noord-Amerika als in grote delen van Europa. In Noord-Amerika heeft de spin een groot verspreidingsgebied in het noorden, op de grens tussen de Verenigde Staten en Canada. De spin komt voor van het oosten in New Engeland tot in het westen in Brits-Columbia, Washington en Oregon.

In Europa komt de kruisspin voor van noordelijk Scandinavië tot in landen aan de Middellandse Zee. In Groot-Brittannië komt de spin overal voor op enkele locaties in noordelijk Schotland na. Op het eiland Ierland is de spin echter zeer zeldzaam en is hij alleen bekend van enkele verspreide populaties in het noorden.

In België en Nederland komt de soort overal algemeen voor. In Nederland is de spin ook aangetroffen op de Waddeneilanden.

 

Kenmerken:

Lichaamsdelen van een kruisspin:

A = poten

B = achterlijf

C = kopborststuk

D = ogen

E = kaak

F = palp

 

De kruisspin heeft geen typische kleur; er is veel variatie. De meeste exemplaren zijn bruin tot roodbruin van kleur maar ook afwijkende kleuren als geel, rood en oranje komen voor. Op het achterlijf is vrijwel altijd een wit kruis te zien.

De kruisspin kent net als veel andere spinnen een sterke seksuele dimorfie; dit wil zeggen dat de mannetjes en de vrouwtjes er totaal anders uitzien. [8] Als de spinnen net uit het ei komen is het geslacht niet vast te stellen maar bij de volwassen exemplaren zijn de vrouwtjes veel groter dan de mannetjes. De vrouwtjes bereiken een lichaamslengte van 12 tot 17 millimeter, exclusief poten, terwijl de mannetjes ongeveer 5 tot 10 millimeter lang worden. [6] Als de spinnen nog jong zijn, verschillen de mannetjes en wijfjes niet veel van elkaar. Na verloop van tijd groeien de wijfjes harder dan de mannetjes. In de zomer van hun tweede levensjaar, als de wijfjes volwassen worden, groeien ze zeer snel. Mannetjes hebben naar verhouding langere poten maar een beduidend kleiner achterlijf dan een vrouwtje. Vooral vrouwtjes die eieren dragen hebben een opvallend dik achterlijf.

Wat direct opvalt aan de spin zijn de vier paar lange poten. De poten dragen een stekelige beharing, de haartjes hebben een tastzintuiglijke functie. De kleur van de poten is bruin met afwisselende lichte banden. De poten bestaan net als bij andere spinnen uit zeven segmenten, waarvan de uiteinden de tarsen worden genoemd. Deze dragen kleine klauwtjes waarmee de spin zich aan de ondergrond hecht. Het voorste paar poten is het langst en wordt gebruikt om de omgeving af te tasten.

Het lichaam van de spin is verdeeld in twee zichtbare delen, de achterzijde wordt het achterlijf of abdomen genoemd en de voorzijde bestaat uit de met het borststuk gefuseerde kop, het kopborststuk of cephalothorax. Het kopborststuk is lichter gekleurd dan het achterlijf en ongevlekt. Aan de voorzijde van het kopborststuk zijn de ogen gelegen, de kruisspin heeft er acht in totaal. Aan de voorzijde zijn vier oogjes gelegen die iets van elkaar staan, aan weerszijden van de kop zijn steeds twee oogjes aanwezig die dichter tegen elkaar liggen. De ogen zijn donker van kleur en glanzend, ze doen kraalachtig aan. De ogen bestaan uit een enkele structuur met ieder een eigen lens, de ogen worden bij spinnen wel puntoogjes of ommatidiën genoemd. Aan de onderzijde van de kop bevinden zich twee paar kaken, (E) de bovenkaken zijn voorzien van klauw-achtige structuren en bevatten een gifkanaal, de gifklieren zijn gelegen in het kopborststuk. De spin neemt voedsel op door eerst verteringssappen in de prooi te brengen en deze vervolgens weer op te zuigen. Hierbij wordt de prooi al deels buiten het lichaam van de spin verteerd. De palpen hebben een zintuiglijke functie en worden door de mannetjes van veel soorten gebruikt als spermacapsule.

 

Achterlijf:.

Het achterlijf is bolvormig en rond van vorm, aan de achterzijde zijn zowel bij mannetjes als vrouwtjes altijd drie paar spintepels aanwezig. Dit zijn de uitscheidingsorganen waarmee het spinnenweb wordt gebouwd, maar ook prooien en eicocons worden omwikkeld. De spintepels kunnen verschillende soorten draden produceren; stevige en niet-kleverige draden om het frame van het web te maken en de eitjes te voorzien van een beschermende laag spinsel en kleverige vangdraden om prooien in het web te vangen.

De kruisspin is te herkennen aan de lichte vlekken op de bovenzijde van het achterlijf. Vrijwel alle exemplaren hebben een duidelijk kruisvormige groepering van de vlekken, slechts bij sommige exemplaren ontbreekt het kruis. Op de afbeelding is het vlekpatroon van een willekeurig exemplaar weergegeven in rustpositie; dus met de kop naar beneden. Het kruis wordt gevormd door een groep lichtere tot witte vlekken, die bestaan uit twee verticaal langwerpige vlekken aan de boven- en onderzijde en twee horizontaal langwerpige vlekken aan weerszijden. Daar waar de vlekken samenkomen is een vlek in het midden aanwezig. Aan weerszijden van de kleine vlek zijn twee vlekken aanwezig, waarbij de linkervlek vaak kleiner is dan die aan de rechterzijde. Boven de groep vlekken die het kruis vormen, wordt het kruismotief herhaald door kleinere ronde vlekjes.

De lichtere vlekken worden niet veroorzaakt door pigmenten maar door onder de huid gelegen cellen die gevuld zijn met guaninekristallen. De cellen die de kristallen bevatten worden wel guanocieten genoemd. Guanine ontstaat als afvalstof van de spijsvertering en wordt omgezet in kristallen en opgeslagen in de guanocieten. De kristallen weerkaatsen alle licht waardoor ze wit aandoen, de bovengelegen huidlaag is doorzichtig zodat ze goed opvallen.

 

Onderscheid met andere soorten:

De kruisspin lijkt enigszins op de eikenbladspin (Aculepeira ceropegia). Deze soort heeft echter een iets ander patroon op de rug, dat doet denken aan een vlampatroon. De eikenbladspin blijft kleiner en overwintert als jonge spin en niet als ei. Ook de viervlekwielwebspin (Araneus quadratus) lijkt door de vier lichtere vlekken op de kruisspin maar heeft een duidelijk boller achterlijf. Andere wielwebspinnen lijken niet op de kruisspin doordat ze bijvoorbeeld uitsteeksels hebben op het achterlijf, zoals de schouderkruisspin (Araneus angulatus) of een afwijkende lichaamsvorm hebben, zoals de platte wielwebspin (Nuctenea umbratica). Sommige wielwebspinnen zijn door hun andere kleuren gemakkelijk te onderscheiden, zoals de geelgestreepte wespspin.

 

Levenswijze:

De kruisspin moet net als alle geleedpotigen regelmatig vervellen om te kunnen groeien, hiertoe wordt het harde exoskelet vervangen door een nieuwe laag die de eerste tijd nog rekbaar is zodat het lichaam groter kan worden. Het exoskelet wordt in één keer afgeworpen tijdens de vervelling waarbij de nieuwe huid nog zacht is en dit geldt ook voor de poten en de kaken. De kruisspin is hierdoor erg kwetsbaar voor aanvallen van vijanden en trekt zich enige tijd voor de vervelling terug op een beschutte plaats en komt pas tevoorschijn als het lichaam is uitgehard.

De kruisspin is een groot deel van het leven bezig met het bouwen van een web. Het web is vergelijkbaar met dat van andere wielwebspinnen, deze familie van spinnen bouwt een vierkant frame met een spiraalvormige vangdraad in het midden die ondersteund wordt door een aantal draden die van het frame naar het midden van het web lopen en doen denken aan spaken. Het web in zijn geheel lijkt hierdoor op een fietswiel waaraan de naam van de spinnen te danken is. Het web raakt gemakkelijk beschadigd en snel vervuild, bovendien drogen de spinseldraden snel uit zodat het web iedere dag vervangen moet worden. Ook na iedere vangst moet het web gerepareerd worden omdat een spartelend prooidier het web beschadigt.

Bij het bouwen van het web wordt eerst een verticale draad gespannen die de brugdraad wordt genoemd. Vervolgens worden aan de onder- en bovenzijde twee horizontale draden gesponnen waarbij deze weer worden verbonden door een verticale draad aan de andere zijde. Zo is een vierkant ontstaan, waarbij een draad in het midden van boven naar beneden wordt gemaakt. Vervolgens maakt de spin draden van het midden van het web naar de randen van het vierkant, die lijken op spaken. Deze worden tenslotte verbonden door een spiraalvormige, kleverige vangdraad.

 

Voortplanting:

Jonge spinnetjes blijven bij elkaar maar bij verstoring rennen ze alle kanten op.

Aan het einde van de zomer is de kruisspin volwassen. Eenmaal volwassen maken de spinnen veel grotere webben dan jonge spinnen, waardoor ze goed opvallen. De vrouwtjes blijven in hun web terwijl mannetjes naar een vrouwtje op zoek gaan. De paring is voor een mannetje een hachelijke zaak; hij moet omzichtig te werk gaan om niet als prooi gezien te worden. Het mannetje is aanmerkelijk kleiner dan het vrouwtje en moet haar laten weten dat hij geen prooi is. Het mannetje produceert krijgt voor elkaar door trillingen te maken in het web van het vrouwtje.

De paring van spinnen is uitwendig, het mannetje heeft aan de monddelen of pedipalpen een ballonnetje wat de bulbus wordt genoemd. Deze heeft een pipet-achtige werking zodat sperma kan worden opgezogen en later in het vrouwelijke geslachtsorgaan of epigine kan worden afgegeven. Zowel de palp van het mannetje als de epigyne van het vrouwtje hebben bij de kruisspin een precies in elkaar passende vorm, zodat met de palp van een mannelijke kruisspin alleen in de epigine van een vrouwelijke kruisspin kan worden gebracht. Dit wordt nog versterkt door de stekels en haken die de palp draagt. Als de palp is gevuld met wordt het als een spermapakketje of spermatofoor ingebracht.

Tijdens de paring probeert het mannetje het vrouwtje zo snel mogelijk te bevruchten, dan loopt hij de minste kans om te worden opgegeten. Als het mannetje weet te ontsnappen kan hij nog een tweede keer paren, de mannetjes worden niet altijd opgegeten.

Na de bevruchting wordt het sperma opgeslagen in een speciaal kamertje, de spermatheek. Het vrouwtje heeft een gepaarde eileider waar de eicellen worden bevrucht en de eieren worden gevormd. Hierbij zwelt het achterlichaam enorm op. De eitjes worden afgezet in een cocon, die bestaat uit een ronde schijf van spinsel waarvan de zijkant wordt voorzien van een opstaande rand. Nu ontstaat een kamertje waarin de eitjes worden afgezet. De grootte van de cocon correleert met de grootte van de spin; een klein exemplaar zal een kleinere cocon bouwen. Dit geldt echter niet voor het aantal eitjes, dat varieert van enige tientallen tot honderden eitjes. Als de cocon af is, wordt deze voorzien van pluizige spinseldraden ter bescherming. De cocon wordt de eerste tijd bewaakt door het vrouwtje waarbij eventuele beschadigingen worden gerepareerd. De eicocons worden in herfst afgezet op verborgen plekken in planten en zie er uit als een pluk watten met in het midden de gelige eitjes. Het vrouwtje stopt met jagen en sterft vaak korte tijd nadat haar eiercocon is afgezet.

De eieren overwinteren; in de lente komen de jonge spinnetjes tevoorschijn, ze hebben een kenmerkende gele lichaamskleur en houden zich de eerste dagen op in een van spinsel gemaakt nest. Het groepje jonge kruisspinnen verspreid zich als het nest wordt verstoord om enige tijd later weer samen te komen. De jonge kruisspinnen of spiderlings leven de eerste tijd van het voedsel in hun dooier; hier doen ze ongeveer 7 tot 10 dagen mee. Daarna klimmen ze zo hoog mogelijk in een plant en laten ze uit hun achterlijf een lange draad de lucht in zweven. Deze draad wordt door de wind opgepakt en neemt de jonge spin mee de lucht in. Zo verspreiden de kleine spinnetjes zich -terwijl ze niet kunnen vliegen- door de lucht en kunnen honderden meters verder terechtkomen. De jonge spinnen maken een web dat al direct lijkt op dat van volwassen exemplaren, al het is het nog veel kleiner.

 

Ecologie:

De kruisspin bouwt zijn web op open plekken tussen lage boomtakken of in struiken, die echter van de wind zijn afgeschermd. Het web wordt gemakkelijk door regen en wind vernietigd waardoor de spin alleen voorkomt op beschutte plaatsen. Tuinen van mensen zijn voor de kruisspin ideaal, omdat deze vaak hogere begroeiing bevatten en relatief goed zijn afgeschermd van felle zon en van wind door het naastgelegen huis.

De kruisspin heeft een vochtige leefomgeving nodig en kan slecht tegen droogte en komt vooral voor in laaglanden. Een andere weersomstandigheid waar de spin onder lijdt is hevige regenval.

 

Voedsel:

Met het web, waarin de spin gewoonlijk ondersteboven in het centrum zit te wachten, wordt het voedsel gevangen. Het web wordt dagelijks opnieuw gesponnen, dit duurt ongeveer 20 minuten. Het is een wielvormig web waarbij het centrum zich iets boven het midden bevindt met een grote mate van symmetrie.

Het web wordt gemaakt op enige hoogte en bevindt zich vaak tussen twee takken. Sommige spinnen jagen op bodembewonende prooien en maken geen web, een voorbeeld is de wolfspin. Andere soorten hebben zich gespecialiseerd in het vangen van springende insecten die zich bij de bodem bevinden en jagen op bijvoorbeeld sprinkhanen zoals de wespspin. De kruisspin bezet een andere niche en bouwt het web op enige hoogte boven de bodem in struiken en lagere takken van bomen. Het web van de kruisspin is geschikt om vliegende insecten te vangen, zowel kleine als wat grotere vliegende insecten. Bekende prooien zijn vliegen en muggen, wespen en bijen maar ook grotere insecten zoals vlinders worden gegeten. Heel kleine prooien die in het web geraken, zoals bladluizen, worden genegeerd.

Zodra een prooi het web invliegt wordt de spin gealarmeerd door de trillingen van de draden van het web. Deze draden dienen speciaal om te spin te alarmeren en worden de signaaldraden genoemd. De spin snelt zich naar de prooi en wikkelt deze snel in spinsel. Pas daarna wordt een beet toegediend die de prooi verlamd. De ingepakte prooi wordt vervolgens uit het web gehaald en wordt in een schuilplaats van de spin opgegeten.

In de zomer van hun tweede levensjaar zijn de wijfjes zo groot dat ze een web van ongeveer 60 cm doorsnede maken. De spinnenwebben zijn voornamelijk tegen het eind van de zomer goed zichtbaar; de spinnen zaten er reeds lange tijd maar hun webben zijn nu veel groter geworden. Vooral bij vochtige weersomstandigheden zijn de webben duidelijk te zien doordat ze bedekt zijn met dauwdruppels waardoor ze een zilverachtige glans krijgen. Het grootste deel van de volwassen spinnen overleeft de eerste nachtvorst niet.

 

Vijanden:

De voornaamste vijanden van de kruisspin zijn verschillende insectenetende vogels, die de spin uit het web plukken. Ook verschillende andere spinnen zijn vijand, voornamelijk de spinneneters. Dit zijn spinnen die exclusief op andere spinnen jagen en in hun eigen web aanvallen, zoals de soorten uit het geslacht Ero. Daarnaast zijn kruispinnen kannibalistisch en eten kleinere soortgenoten op. Niet alleen mannetjes die met een vrouwtje willen paren moeten uitkijken, ook als twee vrouwtjes elkaar tegenkomen vallen ze elkaar aan en proberen elkaar in te spinnen.

Bij verstoring begint de spin hevig verticaal heen- en weer te schudden in het web door spiercontracties van de poten. Bij ernstige verstoring laat de spin zich loodrecht naar beneden vallen waarbij het lichaam met een spindraad wordt geankerd. De spin houdt zich op de bodem een tijdje schijndood waarbij de poten worden ingetrokken. Na enige tijd klimt de spin weer naar boven waarbij de ankerdraad wordt gebruikt.

Kruisspinnen hebben gifkaken maar gebruiken deze alleen om op prooien te jagen en niet om vijanden af te weren. Alleen als een spin tussen de vingers wordt vastgeklemd zal deze in het uiterste geval bijten wat pijnlijk is maar niet gevaarlijk.

De grootste vijand van de spinnen is het klimaat; ze lijden vooral onder droogte en zware regenval. Ook de mens is een belangrijke vijand omdat deze spinnen doodt en hun web vernielen. De spinnen moeten ook opletten voor sommige sluipwespen zoals de spinnendoders, die de spin verlammen en naar het nest brengen meestal een holletje onder de grond. In de verlamde spin wordt vervolgens een ei afgezet, als de larve van de sluipwesp uit het ei kruipt wordt de kruisspin levend en van binnenuit opgegeten.

 

Naamgeving en taxonomie:

De kruisspin werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven in 1757 door Carl Alexander Clerck als Araneus diadematus. De soort werd later beschreven door Linnaeus als Aranea diadema maar omdat de eerste naam telt is deze laatste naam vervallen. Ook werd de soort vroeger tot het geslacht Epeira gerekend, maar dit is achterhaald. De wetenschappelijke naam Araneus diadematus betekent vrij vertaald spin (Araneus) met een kroontje (diadematus) wat slaat op de karakteristieke vlekkentekening op het achterlijf. Ook de Nederlandse naam is te danken aan het witte 'kruis' op de bovenzijde van het achterlijf, dat is opgebouwd uit verschillende vlekken. In andere talen zoals het Zweeds (Korsspindel) wordt ook verwezen naar het kruis. In veel talen wordt de spin 'tuinspin' genoemd, een verwijzing naar het voorkomen van de soort in tuinen, zoals in het Engels (European garden spider).

De kruisspin behoort tot de familie wielwebspinnen of Araneidae, dit is een bekende groep van spinnen omdat ze allemaal een web maken dat lijkt op een wiel. Er zijn ongeveer 50 Europese soorten wielwebspinnen waarvan er ongeveer 25 voorkomen in Nederland. [1] Het geslacht Araneus waartoe de spin behoort wordt in Nederland vertegenwoordigd door zes andere soorten.

 

Ondersoorten:

De kruisspin wordt verdeeld in vier verschillende ondersoorten, die voornamelijk verschillen in verspreidingsgebied;

 

Araneus diadematus islandicus - IJsland

Araneus diadematus nemorosus - Frankrijk

Araneus diadematus soror - Corsica

Araneus diadematus stellatus - De rest van Europa

Title: Abhandlungen herausgegeben vom Naturwissenschaftlichen Verein zu Bremen

Identifier: abhandlungenhera17natu

Year: 1866- (1860s)

Authors: Naturwissenschaftlicher Verein zu Bremen

Subjects: Natural history; Natural history -- Germany

Publisher: Bremen : Im Selbstverlag des Naturwissenschaftlichen Vereins

Contributing Library: The LuEsther T Mertz Library, the New York Botanical Garden

Digitizing Sponsor: The LuEsther T Mertz Library, the New York Botanical Garden

  

View Book Page: Book Viewer

About This Book: Catalog Entry

View All Images: All Images From Book

 

Click here to view book online to see this illustration in context in a browseable online version of this book.

  

Text Appearing Before Image:

44 22. I. mirafoilis nov. spec. (Fig. 19—22; Tafel I, Fig. 2.) Behaarung kurz, gleichraässig, am Ende des Abdomen länger (cf. Tafel I, Fig. 2.) Abdomen III gleich oder etwas kürzer als IV. Antennen so lang als die Kopfdiagonale, Glied I am kürzesten, II, gleich oder kleiner als III, IV gleich zweimal III, keulig, stumpf. Postantennalorgan klein, breitelliptisch, von einer Borste überdeckt, Länge derjenigen von drei Ommatidienbreiten annähernd gleich- kommend. Ommatidien auf schwach pigmentiertem Grunde, fünf jederseits, zu denen sich bald links, bald rechts noch ein kleineres hinzugesellt (Fig. 19.) Furca am distalen Ende von Abdomen IV. Manubrium etwas kürzer, solang oder etwas länger als Dens und Mucro zusammengenommen. Dorsal mit mehreren abstehenden, ventral mit nur 2 starken Borsten nahe der Basis der Deutes. Mucro mit drei Zähnen, von denen die zwei hinteren fast nebeneinander stehen (Fig. 20, 21). Dens plump, au der Basis deutlich breiter als an der Spitze, dorsal mit wenigen abstehenden, veutral mit anliegenden Borsten, Klauen ohne Zahn. Untere Klaue schmal ohne Zahn, einhalb bis eindrittel solang als die obere. (Fig. 22.) Tibien ohne Keulenhaare. Färbung weiss, etwas ins bläuliche spielend; über deu Körper zerstreut findet sich sehr weuig, schwärzliches Pigment. Länge bis 0,8 mm.

 

Text Appearing After Image:

O o o o o Fig. 19. Fig. 20. Fig. 21. Fig. 22. Fig. 19—22. Isotoma mirabilis nov. spec. Fig. 19. Ocellen, links 6, rechts 5, x 500. Fig. 20, 21. Furca. 20) Ventralansicht (Aufsichtsbild) x 500, 21) Seitenansicht, X 800. Fig. 22. Distales Tibienende, Tarsus und Klauen, x 800. Gefunden bei Verden an der Aller, unter der Rinde einer ge- fällten jungeu Pinus silvestris L., zusammen mit /. cinerea Nie. Im Frühjahr 1901 sammelte ich die Art bei Helmscheid b. Berndorf in Waldeck unter Pferdemist. Die vorliegende Art unterscheidet sich von /. crassicauda Tulb., dem sie in der Gestalt der Mucrones ähnelt, durch die Form uud Dicke der Dentes, sowie durch die Farbe und Körpergestalt; von

  

Note About Images

Please note that these images are extracted from scanned page images that may have been digitally enhanced for readability - coloration and appearance of these illustrations may not perfectly resemble the original work.

De kruisspin (Araneus diadematus) is een middelgrote spin die behoort tot de familie wielwebspinnen (Araneidae).

De kruisspin is in tegenstelling tot veel andere spinnen geen schuwe soort, maar eentje die vaak midden in het web zit en moeilijk over het hoofd is te zien. De spin wordt ook relatief groot tot zo'n 17 millimeter. De naam is te danken aan de op een kruis gelijkend patroon op het achterlijf dat bestaat uit een groepje lichtere tot witte vlekjes die afsteken tegen de donkerbruine tot gele achtergrondkleur. De kruisspin is in Europa een van de meer algemene soorten en de spin komt ook in België en Nederland voor. Omdat de kruisspin in beschaduwde, van de wind afgeschermde hogere planten leeft duikt de spin vaak op in tuinen en hierdoor is het een van de bekendste Europese spinnen.

De kruisspin bouwt het web op enige hoogte en vangt voornamelijk vliegende insecten. De spin wordt zelf gegeten door insecteneters zoals vogels. De levenscyclus is tweejarig; de paring vindt plaats in de herfst en de eitjes overwinteren. In de lente komen ze uit en pas het volgende jaar worden de spinnen volwassen.

De kruisspin is door de Europese Arachnologische Vereniging uitgeroepen tot spin van het jaar 2010.

 

Verspreiding:

De kruisspin komt voor in zowel Noord-Amerika als in grote delen van Europa. In Noord-Amerika heeft de spin een groot verspreidingsgebied in het noorden, op de grens tussen de Verenigde Staten en Canada. De spin komt voor van het oosten in New Engeland tot in het westen in Brits-Columbia, Washington en Oregon.

In Europa komt de kruisspin voor van noordelijk Scandinavië tot in landen aan de Middellandse Zee. In Groot-Brittannië komt de spin overal voor op enkele locaties in noordelijk Schotland na. Op het eiland Ierland is de spin echter zeer zeldzaam en is hij alleen bekend van enkele verspreide populaties in het noorden.

In België en Nederland komt de soort overal algemeen voor. In Nederland is de spin ook aangetroffen op de Waddeneilanden.

 

Kenmerken:

Lichaamsdelen van een kruisspin:

A = poten

B = achterlijf

C = kopborststuk

D = ogen

E = kaak

F = palp

 

De kruisspin heeft geen typische kleur; er is veel variatie. De meeste exemplaren zijn bruin tot roodbruin van kleur maar ook afwijkende kleuren als geel, rood en oranje komen voor. Op het achterlijf is vrijwel altijd een wit kruis te zien.

De kruisspin kent net als veel andere spinnen een sterke seksuele dimorfie; dit wil zeggen dat de mannetjes en de vrouwtjes er totaal anders uitzien. [8] Als de spinnen net uit het ei komen is het geslacht niet vast te stellen maar bij de volwassen exemplaren zijn de vrouwtjes veel groter dan de mannetjes. De vrouwtjes bereiken een lichaamslengte van 12 tot 17 millimeter, exclusief poten, terwijl de mannetjes ongeveer 5 tot 10 millimeter lang worden. [6] Als de spinnen nog jong zijn, verschillen de mannetjes en wijfjes niet veel van elkaar. Na verloop van tijd groeien de wijfjes harder dan de mannetjes. In de zomer van hun tweede levensjaar, als de wijfjes volwassen worden, groeien ze zeer snel. Mannetjes hebben naar verhouding langere poten maar een beduidend kleiner achterlijf dan een vrouwtje. Vooral vrouwtjes die eieren dragen hebben een opvallend dik achterlijf.

Wat direct opvalt aan de spin zijn de vier paar lange poten. De poten dragen een stekelige beharing, de haartjes hebben een tastzintuiglijke functie. De kleur van de poten is bruin met afwisselende lichte banden. De poten bestaan net als bij andere spinnen uit zeven segmenten, waarvan de uiteinden de tarsen worden genoemd. Deze dragen kleine klauwtjes waarmee de spin zich aan de ondergrond hecht. Het voorste paar poten is het langst en wordt gebruikt om de omgeving af te tasten.

Het lichaam van de spin is verdeeld in twee zichtbare delen, de achterzijde wordt het achterlijf of abdomen genoemd en de voorzijde bestaat uit de met het borststuk gefuseerde kop, het kopborststuk of cephalothorax. Het kopborststuk is lichter gekleurd dan het achterlijf en ongevlekt. Aan de voorzijde van het kopborststuk zijn de ogen gelegen, de kruisspin heeft er acht in totaal. Aan de voorzijde zijn vier oogjes gelegen die iets van elkaar staan, aan weerszijden van de kop zijn steeds twee oogjes aanwezig die dichter tegen elkaar liggen. De ogen zijn donker van kleur en glanzend, ze doen kraalachtig aan. De ogen bestaan uit een enkele structuur met ieder een eigen lens, de ogen worden bij spinnen wel puntoogjes of ommatidiën genoemd. Aan de onderzijde van de kop bevinden zich twee paar kaken, (E) de bovenkaken zijn voorzien van klauw-achtige structuren en bevatten een gifkanaal, de gifklieren zijn gelegen in het kopborststuk. De spin neemt voedsel op door eerst verteringssappen in de prooi te brengen en deze vervolgens weer op te zuigen. Hierbij wordt de prooi al deels buiten het lichaam van de spin verteerd. De palpen hebben een zintuiglijke functie en worden door de mannetjes van veel soorten gebruikt als spermacapsule.

 

Achterlijf:.

Het achterlijf is bolvormig en rond van vorm, aan de achterzijde zijn zowel bij mannetjes als vrouwtjes altijd drie paar spintepels aanwezig. Dit zijn de uitscheidingsorganen waarmee het spinnenweb wordt gebouwd, maar ook prooien en eicocons worden omwikkeld. De spintepels kunnen verschillende soorten draden produceren; stevige en niet-kleverige draden om het frame van het web te maken en de eitjes te voorzien van een beschermende laag spinsel en kleverige vangdraden om prooien in het web te vangen.

De kruisspin is te herkennen aan de lichte vlekken op de bovenzijde van het achterlijf. Vrijwel alle exemplaren hebben een duidelijk kruisvormige groepering van de vlekken, slechts bij sommige exemplaren ontbreekt het kruis. Op de afbeelding is het vlekpatroon van een willekeurig exemplaar weergegeven in rustpositie; dus met de kop naar beneden. Het kruis wordt gevormd door een groep lichtere tot witte vlekken, die bestaan uit twee verticaal langwerpige vlekken aan de boven- en onderzijde en twee horizontaal langwerpige vlekken aan weerszijden. Daar waar de vlekken samenkomen is een vlek in het midden aanwezig. Aan weerszijden van de kleine vlek zijn twee vlekken aanwezig, waarbij de linkervlek vaak kleiner is dan die aan de rechterzijde. Boven de groep vlekken die het kruis vormen, wordt het kruismotief herhaald door kleinere ronde vlekjes.

De lichtere vlekken worden niet veroorzaakt door pigmenten maar door onder de huid gelegen cellen die gevuld zijn met guaninekristallen. De cellen die de kristallen bevatten worden wel guanocieten genoemd. Guanine ontstaat als afvalstof van de spijsvertering en wordt omgezet in kristallen en opgeslagen in de guanocieten. De kristallen weerkaatsen alle licht waardoor ze wit aandoen, de bovengelegen huidlaag is doorzichtig zodat ze goed opvallen.

 

Onderscheid met andere soorten:

De kruisspin lijkt enigszins op de eikenbladspin (Aculepeira ceropegia). Deze soort heeft echter een iets ander patroon op de rug, dat doet denken aan een vlampatroon. De eikenbladspin blijft kleiner en overwintert als jonge spin en niet als ei. Ook de viervlekwielwebspin (Araneus quadratus) lijkt door de vier lichtere vlekken op de kruisspin maar heeft een duidelijk boller achterlijf. Andere wielwebspinnen lijken niet op de kruisspin doordat ze bijvoorbeeld uitsteeksels hebben op het achterlijf, zoals de schouderkruisspin (Araneus angulatus) of een afwijkende lichaamsvorm hebben, zoals de platte wielwebspin (Nuctenea umbratica). Sommige wielwebspinnen zijn door hun andere kleuren gemakkelijk te onderscheiden, zoals de geelgestreepte wespspin.

 

Levenswijze:

De kruisspin moet net als alle geleedpotigen regelmatig vervellen om te kunnen groeien, hiertoe wordt het harde exoskelet vervangen door een nieuwe laag die de eerste tijd nog rekbaar is zodat het lichaam groter kan worden. Het exoskelet wordt in één keer afgeworpen tijdens de vervelling waarbij de nieuwe huid nog zacht is en dit geldt ook voor de poten en de kaken. De kruisspin is hierdoor erg kwetsbaar voor aanvallen van vijanden en trekt zich enige tijd voor de vervelling terug op een beschutte plaats en komt pas tevoorschijn als het lichaam is uitgehard.

De kruisspin is een groot deel van het leven bezig met het bouwen van een web. Het web is vergelijkbaar met dat van andere wielwebspinnen, deze familie van spinnen bouwt een vierkant frame met een spiraalvormige vangdraad in het midden die ondersteund wordt door een aantal draden die van het frame naar het midden van het web lopen en doen denken aan spaken. Het web in zijn geheel lijkt hierdoor op een fietswiel waaraan de naam van de spinnen te danken is. Het web raakt gemakkelijk beschadigd en snel vervuild, bovendien drogen de spinseldraden snel uit zodat het web iedere dag vervangen moet worden. Ook na iedere vangst moet het web gerepareerd worden omdat een spartelend prooidier het web beschadigt.

Bij het bouwen van het web wordt eerst een verticale draad gespannen die de brugdraad wordt genoemd. Vervolgens worden aan de onder- en bovenzijde twee horizontale draden gesponnen waarbij deze weer worden verbonden door een verticale draad aan de andere zijde. Zo is een vierkant ontstaan, waarbij een draad in het midden van boven naar beneden wordt gemaakt. Vervolgens maakt de spin draden van het midden van het web naar de randen van het vierkant, die lijken op spaken. Deze worden tenslotte verbonden door een spiraalvormige, kleverige vangdraad.

 

Voortplanting:

Jonge spinnetjes blijven bij elkaar maar bij verstoring rennen ze alle kanten op.

Aan het einde van de zomer is de kruisspin volwassen. Eenmaal volwassen maken de spinnen veel grotere webben dan jonge spinnen, waardoor ze goed opvallen. De vrouwtjes blijven in hun web terwijl mannetjes naar een vrouwtje op zoek gaan. De paring is voor een mannetje een hachelijke zaak; hij moet omzichtig te werk gaan om niet als prooi gezien te worden. Het mannetje is aanmerkelijk kleiner dan het vrouwtje en moet haar laten weten dat hij geen prooi is. Het mannetje produceert krijgt voor elkaar door trillingen te maken in het web van het vrouwtje.

De paring van spinnen is uitwendig, het mannetje heeft aan de monddelen of pedipalpen een ballonnetje wat de bulbus wordt genoemd. Deze heeft een pipet-achtige werking zodat sperma kan worden opgezogen en later in het vrouwelijke geslachtsorgaan of epigine kan worden afgegeven. Zowel de palp van het mannetje als de epigyne van het vrouwtje hebben bij de kruisspin een precies in elkaar passende vorm, zodat met de palp van een mannelijke kruisspin alleen in de epigine van een vrouwelijke kruisspin kan worden gebracht. Dit wordt nog versterkt door de stekels en haken die de palp draagt. Als de palp is gevuld met wordt het als een spermapakketje of spermatofoor ingebracht.

Tijdens de paring probeert het mannetje het vrouwtje zo snel mogelijk te bevruchten, dan loopt hij de minste kans om te worden opgegeten. Als het mannetje weet te ontsnappen kan hij nog een tweede keer paren, de mannetjes worden niet altijd opgegeten.

Na de bevruchting wordt het sperma opgeslagen in een speciaal kamertje, de spermatheek. Het vrouwtje heeft een gepaarde eileider waar de eicellen worden bevrucht en de eieren worden gevormd. Hierbij zwelt het achterlichaam enorm op. De eitjes worden afgezet in een cocon, die bestaat uit een ronde schijf van spinsel waarvan de zijkant wordt voorzien van een opstaande rand. Nu ontstaat een kamertje waarin de eitjes worden afgezet. De grootte van de cocon correleert met de grootte van de spin; een klein exemplaar zal een kleinere cocon bouwen. Dit geldt echter niet voor het aantal eitjes, dat varieert van enige tientallen tot honderden eitjes. Als de cocon af is, wordt deze voorzien van pluizige spinseldraden ter bescherming. De cocon wordt de eerste tijd bewaakt door het vrouwtje waarbij eventuele beschadigingen worden gerepareerd. De eicocons worden in herfst afgezet op verborgen plekken in planten en zie er uit als een pluk watten met in het midden de gelige eitjes. Het vrouwtje stopt met jagen en sterft vaak korte tijd nadat haar eiercocon is afgezet.

De eieren overwinteren; in de lente komen de jonge spinnetjes tevoorschijn, ze hebben een kenmerkende gele lichaamskleur en houden zich de eerste dagen op in een van spinsel gemaakt nest. Het groepje jonge kruisspinnen verspreid zich als het nest wordt verstoord om enige tijd later weer samen te komen. De jonge kruisspinnen of spiderlings leven de eerste tijd van het voedsel in hun dooier; hier doen ze ongeveer 7 tot 10 dagen mee. Daarna klimmen ze zo hoog mogelijk in een plant en laten ze uit hun achterlijf een lange draad de lucht in zweven. Deze draad wordt door de wind opgepakt en neemt de jonge spin mee de lucht in. Zo verspreiden de kleine spinnetjes zich -terwijl ze niet kunnen vliegen- door de lucht en kunnen honderden meters verder terechtkomen. De jonge spinnen maken een web dat al direct lijkt op dat van volwassen exemplaren, al het is het nog veel kleiner.

 

Ecologie:

De kruisspin bouwt zijn web op open plekken tussen lage boomtakken of in struiken, die echter van de wind zijn afgeschermd. Het web wordt gemakkelijk door regen en wind vernietigd waardoor de spin alleen voorkomt op beschutte plaatsen. Tuinen van mensen zijn voor de kruisspin ideaal, omdat deze vaak hogere begroeiing bevatten en relatief goed zijn afgeschermd van felle zon en van wind door het naastgelegen huis.

De kruisspin heeft een vochtige leefomgeving nodig en kan slecht tegen droogte en komt vooral voor in laaglanden. Een andere weersomstandigheid waar de spin onder lijdt is hevige regenval.

 

Voedsel:

Met het web, waarin de spin gewoonlijk ondersteboven in het centrum zit te wachten, wordt het voedsel gevangen. Het web wordt dagelijks opnieuw gesponnen, dit duurt ongeveer 20 minuten. Het is een wielvormig web waarbij het centrum zich iets boven het midden bevindt met een grote mate van symmetrie.

Het web wordt gemaakt op enige hoogte en bevindt zich vaak tussen twee takken. Sommige spinnen jagen op bodembewonende prooien en maken geen web, een voorbeeld is de wolfspin. Andere soorten hebben zich gespecialiseerd in het vangen van springende insecten die zich bij de bodem bevinden en jagen op bijvoorbeeld sprinkhanen zoals de wespspin. De kruisspin bezet een andere niche en bouwt het web op enige hoogte boven de bodem in struiken en lagere takken van bomen. Het web van de kruisspin is geschikt om vliegende insecten te vangen, zowel kleine als wat grotere vliegende insecten. Bekende prooien zijn vliegen en muggen, wespen en bijen maar ook grotere insecten zoals vlinders worden gegeten. Heel kleine prooien die in het web geraken, zoals bladluizen, worden genegeerd.

Zodra een prooi het web invliegt wordt de spin gealarmeerd door de trillingen van de draden van het web. Deze draden dienen speciaal om te spin te alarmeren en worden de signaaldraden genoemd. De spin snelt zich naar de prooi en wikkelt deze snel in spinsel. Pas daarna wordt een beet toegediend die de prooi verlamd. De ingepakte prooi wordt vervolgens uit het web gehaald en wordt in een schuilplaats van de spin opgegeten.

In de zomer van hun tweede levensjaar zijn de wijfjes zo groot dat ze een web van ongeveer 60 cm doorsnede maken. De spinnenwebben zijn voornamelijk tegen het eind van de zomer goed zichtbaar; de spinnen zaten er reeds lange tijd maar hun webben zijn nu veel groter geworden. Vooral bij vochtige weersomstandigheden zijn de webben duidelijk te zien doordat ze bedekt zijn met dauwdruppels waardoor ze een zilverachtige glans krijgen. Het grootste deel van de volwassen spinnen overleeft de eerste nachtvorst niet.

 

Vijanden:

De voornaamste vijanden van de kruisspin zijn verschillende insectenetende vogels, die de spin uit het web plukken. Ook verschillende andere spinnen zijn vijand, voornamelijk de spinneneters. Dit zijn spinnen die exclusief op andere spinnen jagen en in hun eigen web aanvallen, zoals de soorten uit het geslacht Ero. Daarnaast zijn kruispinnen kannibalistisch en eten kleinere soortgenoten op. Niet alleen mannetjes die met een vrouwtje willen paren moeten uitkijken, ook als twee vrouwtjes elkaar tegenkomen vallen ze elkaar aan en proberen elkaar in te spinnen.

Bij verstoring begint de spin hevig verticaal heen- en weer te schudden in het web door spiercontracties van de poten. Bij ernstige verstoring laat de spin zich loodrecht naar beneden vallen waarbij het lichaam met een spindraad wordt geankerd. De spin houdt zich op de bodem een tijdje schijndood waarbij de poten worden ingetrokken. Na enige tijd klimt de spin weer naar boven waarbij de ankerdraad wordt gebruikt.

Kruisspinnen hebben gifkaken maar gebruiken deze alleen om op prooien te jagen en niet om vijanden af te weren. Alleen als een spin tussen de vingers wordt vastgeklemd zal deze in het uiterste geval bijten wat pijnlijk is maar niet gevaarlijk.

De grootste vijand van de spinnen is het klimaat; ze lijden vooral onder droogte en zware regenval. Ook de mens is een belangrijke vijand omdat deze spinnen doodt en hun web vernielen. De spinnen moeten ook opletten voor sommige sluipwespen zoals de spinnendoders, die de spin verlammen en naar het nest brengen meestal een holletje onder de grond. In de verlamde spin wordt vervolgens een ei afgezet, als de larve van de sluipwesp uit het ei kruipt wordt de kruisspin levend en van binnenuit opgegeten.

 

Naamgeving en taxonomie:

De kruisspin werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven in 1757 door Carl Alexander Clerck als Araneus diadematus. De soort werd later beschreven door Linnaeus als Aranea diadema maar omdat de eerste naam telt is deze laatste naam vervallen. Ook werd de soort vroeger tot het geslacht Epeira gerekend, maar dit is achterhaald. De wetenschappelijke naam Araneus diadematus betekent vrij vertaald spin (Araneus) met een kroontje (diadematus) wat slaat op de karakteristieke vlekkentekening op het achterlijf. Ook de Nederlandse naam is te danken aan het witte 'kruis' op de bovenzijde van het achterlijf, dat is opgebouwd uit verschillende vlekken. In andere talen zoals het Zweeds (Korsspindel) wordt ook verwezen naar het kruis. In veel talen wordt de spin 'tuinspin' genoemd, een verwijzing naar het voorkomen van de soort in tuinen, zoals in het Engels (European garden spider).

De kruisspin behoort tot de familie wielwebspinnen of Araneidae, dit is een bekende groep van spinnen omdat ze allemaal een web maken dat lijkt op een wiel. Er zijn ongeveer 50 Europese soorten wielwebspinnen waarvan er ongeveer 25 voorkomen in Nederland. [1] Het geslacht Araneus waartoe de spin behoort wordt in Nederland vertegenwoordigd door zes andere soorten.

 

Ondersoorten:

De kruisspin wordt verdeeld in vier verschillende ondersoorten, die voornamelijk verschillen in verspreidingsgebied;

 

Araneus diadematus islandicus - IJsland

Araneus diadematus nemorosus - Frankrijk

Araneus diadematus soror - Corsica

Araneus diadematus stellatus - De rest van Europa

Title: Biologisches Zentralblatt

Identifier: biologischeszent31rose

Year: 1911 (1910s)

Authors: Rosenthal, I. (Isidor), 1836-1915

Subjects: Biology

Publisher: Leipzig [etc. ] VEB Georg Thieme [etc. ]

Contributing Library: MBLWHOI Library

Digitizing Sponsor: MBLWHOI Library

  

View Book Page: Book Viewer

About This Book: Catalog Entry

View All Images: All Images From Book

 

Click here to view book online to see this illustration in context in a browseable online version of this book.

  

Text Appearing Before Image:

1 «§ I^M^H •^^ ttfrXi'Z»'".:^ zur Peripherie des Epithels verLaufen. In diesen stärkeren Ver- dichtungen der Pigmentkörnchen erfolgt die Bildung der einzelnen Rhabdome, wobei, wie es scheint, ein Teil der Pigmentkörnchen dazu verwendet wird. Fig. 2 stellt ein Stadium von der Ent- wickelung des Auges dar, in welchem die Pigmentbildung be- deutend vorgeschrit- ten ist. Die meisten Kerne haben eine völlige Auflösung er- fahren, in dem pig- mentierten Teil ist nur noch eine Kernreihe mehr zu sehen. Fig. 3 stellt ziem- lich dasselbe Stadium dar, nur dass das Pig- ment durch geeignete Behandlung der Prä- parate zuvor aufgelöst wurde, um die erste Anlage der Rhabdome zu demonstrieren. Die Rhabdome werden als einheitliche Stäbe an- gelegt, an denen keine Rhabdomere zu sehen sind. Von den Hesse'- schen Stiftchen ist ebenfalls nichts zu sehen. Gleichzeitig mit der Bildung der licht- perzipierenden Teile der Ommatidien wer- den auch ihre lichtbrechenden gebildet. Ein Teil des Chromatins der die oberflächlichste Schicht zusammensetzenden Kerne wird abgestreift und es wandelt sich in die Kornea respektiv in die Linse um. Dieselben Kerne liefern außerdem das Material zur Bildung des äußeren Teils der Kegelschicht. Die zweite Zellreihe bildet den mittleren und inneren Teil dieser Kegel. Es scheint jedoch, dass sich auch die nächstliegenden zwei Kernreihen an der 10* 41

 

Text Appearing After Image:

  

Note About Images

Please note that these images are extracted from scanned page images that may have been digitally enhanced for readability - coloration and appearance of these illustrations may not perfectly resemble the original work.

Title: Abhandlungen herausgegeben vom Naturwissenschaftlichen Verein zu Bremen

Identifier: abhandlungenhera17natu

Year: 1866- (1860s)

Authors: Naturwissenschaftlicher Verein zu Bremen

Subjects: Natural history; Natural history -- Germany

Publisher: Bremen : Im Selbstverlag des Naturwissenschaftlichen Vereins

Contributing Library: The LuEsther T Mertz Library, the New York Botanical Garden

Digitizing Sponsor: The LuEsther T Mertz Library, the New York Botanical Garden

  

View Book Page: Book Viewer

About This Book: Catalog Entry

View All Images: All Images From Book

 

Click here to view book online to see this illustration in context in a browseable online version of this book.

  

Text Appearing Before Image:

59 vorhandenen Differenzen nicht entschliessen, zumal die bisher existierenden Beschreibungen recht unvollständig zu sein scheinen. Diagnose: Behaarung kurz, auf den Thoracalsegmenten bis zu Abdomen IV je 1 bis 2 längere, abstehende, schwachge- wimperte Borsten; diese zahlreich und länger auf Abd. V und VI. Einige finden sich auch an den Hüften der Beine. Abdomen III etwas grösser als IV. Antennen eineinhalb mal solang als die Kopfdiagonale, Glied I kleiner als II, III ebenfalls kleiner als II, IV ungefähr gleich 2 • III. Postantennalorgan klein, breitelliptisch bis oval, etwas länger als 1 bis 2 Ommatidien breit. Acht fast gleich grosse Ommatidien jederseits auf stark pigmentiertem Grande. (Fig. 27 b.) Tibien am distalen Ende mit zwei bis drei Keulen- haaren, meist an allen Beinpaaren die gleiche Anzahl. Obere Klaue mit Innenzahn vor der Mitte, Lateralzähne klein, dicht über der Basis (Fig. 27 a). Untere Klaue fast gleich der Hälfte der oberen,

 

Text Appearing After Image:

vJQQ. I a b Fig. 27 a, b. Isotoma cinerea Nie. a) Bistales Tibienende, Tarsus und Klauen, Seitenansicht. x 700. b) Augenneck und Postantennalorgan der rechten Kopfseite (junges Tier). x 500. zugespitzt, mit deutlichem Innenzahn. Furca an Abdomen V, wenig über den hinteren Rand von Abdomen II hinausragend. Dentes gekrümmt, allmählig verschmälert, schlank, konvergent, kaum zwei- mal solang wie das Manubrium. Mucrones vierzähnig, 3 an der Innenseite, der vierte fas neben dem dritten an der Aussenseite, nicht solang als die untere Klaue. Ventraler Rand etwas gekrümmt bis fast gerade. Tenaculum mit 4 Kerbzähnen und 4 über- einander stehenden Borstenpaaren. Ventraltubus wie bei /. denticulata Schäffer. Färbung hellgrau mit späilichem violetten Pigment bis blau. Länge bis l1^ mm. Über die Gestalt des Postantennalorgans und die Bezahnung der Klauen fanden sich in der Literatur keine Angaben. Ob meine Beschreibung für sämtliche /. cinerea Nie. zutrifft, müssen spätere Untersuchungen lehren. Die von Schäffer (24) angegebenen Unterschiede zwischen / cinerea und denticulata sind richtig, aber doch nicht wesentlich. In erster

  

Note About Images

Please note that these images are extracted from scanned page images that may have been digitally enhanced for readability - coloration and appearance of these illustrations may not perfectly resemble the original work.

De kruisspin (Araneus diadematus) is een middelgrote spin die behoort tot de familie wielwebspinnen (Araneidae).

De kruisspin is in tegenstelling tot veel andere spinnen geen schuwe soort, maar eentje die vaak midden in het web zit en moeilijk over het hoofd is te zien. De spin wordt ook relatief groot tot zo'n 17 millimeter. De naam is te danken aan de op een kruis gelijkend patroon op het achterlijf dat bestaat uit een groepje lichtere tot witte vlekjes die afsteken tegen de donkerbruine tot gele achtergrondkleur. De kruisspin is in Europa een van de meer algemene soorten en de spin komt ook in België en Nederland voor. Omdat de kruisspin in beschaduwde, van de wind afgeschermde hogere planten leeft duikt de spin vaak op in tuinen en hierdoor is het een van de bekendste Europese spinnen.

De kruisspin bouwt het web op enige hoogte en vangt voornamelijk vliegende insecten. De spin wordt zelf gegeten door insecteneters zoals vogels. De levenscyclus is tweejarig; de paring vindt plaats in de herfst en de eitjes overwinteren. In de lente komen ze uit en pas het volgende jaar worden de spinnen volwassen.

De kruisspin is door de Europese Arachnologische Vereniging uitgeroepen tot spin van het jaar 2010.

 

Verspreiding:

De kruisspin komt voor in zowel Noord-Amerika als in grote delen van Europa. In Noord-Amerika heeft de spin een groot verspreidingsgebied in het noorden, op de grens tussen de Verenigde Staten en Canada. De spin komt voor van het oosten in New Engeland tot in het westen in Brits-Columbia, Washington en Oregon.

In Europa komt de kruisspin voor van noordelijk Scandinavië tot in landen aan de Middellandse Zee. In Groot-Brittannië komt de spin overal voor op enkele locaties in noordelijk Schotland na. Op het eiland Ierland is de spin echter zeer zeldzaam en is hij alleen bekend van enkele verspreide populaties in het noorden.

In België en Nederland komt de soort overal algemeen voor. In Nederland is de spin ook aangetroffen op de Waddeneilanden.

 

Kenmerken:

Lichaamsdelen van een kruisspin:

A = poten

B = achterlijf

C = kopborststuk

D = ogen

E = kaak

F = palp

 

De kruisspin heeft geen typische kleur; er is veel variatie. De meeste exemplaren zijn bruin tot roodbruin van kleur maar ook afwijkende kleuren als geel, rood en oranje komen voor. Op het achterlijf is vrijwel altijd een wit kruis te zien.

De kruisspin kent net als veel andere spinnen een sterke seksuele dimorfie; dit wil zeggen dat de mannetjes en de vrouwtjes er totaal anders uitzien. [8] Als de spinnen net uit het ei komen is het geslacht niet vast te stellen maar bij de volwassen exemplaren zijn de vrouwtjes veel groter dan de mannetjes. De vrouwtjes bereiken een lichaamslengte van 12 tot 17 millimeter, exclusief poten, terwijl de mannetjes ongeveer 5 tot 10 millimeter lang worden. [6] Als de spinnen nog jong zijn, verschillen de mannetjes en wijfjes niet veel van elkaar. Na verloop van tijd groeien de wijfjes harder dan de mannetjes. In de zomer van hun tweede levensjaar, als de wijfjes volwassen worden, groeien ze zeer snel. Mannetjes hebben naar verhouding langere poten maar een beduidend kleiner achterlijf dan een vrouwtje. Vooral vrouwtjes die eieren dragen hebben een opvallend dik achterlijf.

Wat direct opvalt aan de spin zijn de vier paar lange poten. De poten dragen een stekelige beharing, de haartjes hebben een tastzintuiglijke functie. De kleur van de poten is bruin met afwisselende lichte banden. De poten bestaan net als bij andere spinnen uit zeven segmenten, waarvan de uiteinden de tarsen worden genoemd. Deze dragen kleine klauwtjes waarmee de spin zich aan de ondergrond hecht. Het voorste paar poten is het langst en wordt gebruikt om de omgeving af te tasten.

Het lichaam van de spin is verdeeld in twee zichtbare delen, de achterzijde wordt het achterlijf of abdomen genoemd en de voorzijde bestaat uit de met het borststuk gefuseerde kop, het kopborststuk of cephalothorax. Het kopborststuk is lichter gekleurd dan het achterlijf en ongevlekt. Aan de voorzijde van het kopborststuk zijn de ogen gelegen, de kruisspin heeft er acht in totaal. Aan de voorzijde zijn vier oogjes gelegen die iets van elkaar staan, aan weerszijden van de kop zijn steeds twee oogjes aanwezig die dichter tegen elkaar liggen. De ogen zijn donker van kleur en glanzend, ze doen kraalachtig aan. De ogen bestaan uit een enkele structuur met ieder een eigen lens, de ogen worden bij spinnen wel puntoogjes of ommatidiën genoemd. Aan de onderzijde van de kop bevinden zich twee paar kaken, (E) de bovenkaken zijn voorzien van klauw-achtige structuren en bevatten een gifkanaal, de gifklieren zijn gelegen in het kopborststuk. De spin neemt voedsel op door eerst verteringssappen in de prooi te brengen en deze vervolgens weer op te zuigen. Hierbij wordt de prooi al deels buiten het lichaam van de spin verteerd. De palpen hebben een zintuiglijke functie en worden door de mannetjes van veel soorten gebruikt als spermacapsule.

 

Achterlijf:.

Het achterlijf is bolvormig en rond van vorm, aan de achterzijde zijn zowel bij mannetjes als vrouwtjes altijd drie paar spintepels aanwezig. Dit zijn de uitscheidingsorganen waarmee het spinnenweb wordt gebouwd, maar ook prooien en eicocons worden omwikkeld. De spintepels kunnen verschillende soorten draden produceren; stevige en niet-kleverige draden om het frame van het web te maken en de eitjes te voorzien van een beschermende laag spinsel en kleverige vangdraden om prooien in het web te vangen.

De kruisspin is te herkennen aan de lichte vlekken op de bovenzijde van het achterlijf. Vrijwel alle exemplaren hebben een duidelijk kruisvormige groepering van de vlekken, slechts bij sommige exemplaren ontbreekt het kruis. Op de afbeelding is het vlekpatroon van een willekeurig exemplaar weergegeven in rustpositie; dus met de kop naar beneden. Het kruis wordt gevormd door een groep lichtere tot witte vlekken, die bestaan uit twee verticaal langwerpige vlekken aan de boven- en onderzijde en twee horizontaal langwerpige vlekken aan weerszijden. Daar waar de vlekken samenkomen is een vlek in het midden aanwezig. Aan weerszijden van de kleine vlek zijn twee vlekken aanwezig, waarbij de linkervlek vaak kleiner is dan die aan de rechterzijde. Boven de groep vlekken die het kruis vormen, wordt het kruismotief herhaald door kleinere ronde vlekjes.

De lichtere vlekken worden niet veroorzaakt door pigmenten maar door onder de huid gelegen cellen die gevuld zijn met guaninekristallen. De cellen die de kristallen bevatten worden wel guanocieten genoemd. Guanine ontstaat als afvalstof van de spijsvertering en wordt omgezet in kristallen en opgeslagen in de guanocieten. De kristallen weerkaatsen alle licht waardoor ze wit aandoen, de bovengelegen huidlaag is doorzichtig zodat ze goed opvallen.

 

Onderscheid met andere soorten:

De kruisspin lijkt enigszins op de eikenbladspin (Aculepeira ceropegia). Deze soort heeft echter een iets ander patroon op de rug, dat doet denken aan een vlampatroon. De eikenbladspin blijft kleiner en overwintert als jonge spin en niet als ei. Ook de viervlekwielwebspin (Araneus quadratus) lijkt door de vier lichtere vlekken op de kruisspin maar heeft een duidelijk boller achterlijf. Andere wielwebspinnen lijken niet op de kruisspin doordat ze bijvoorbeeld uitsteeksels hebben op het achterlijf, zoals de schouderkruisspin (Araneus angulatus) of een afwijkende lichaamsvorm hebben, zoals de platte wielwebspin (Nuctenea umbratica). Sommige wielwebspinnen zijn door hun andere kleuren gemakkelijk te onderscheiden, zoals de geelgestreepte wespspin.

 

Levenswijze:

De kruisspin moet net als alle geleedpotigen regelmatig vervellen om te kunnen groeien, hiertoe wordt het harde exoskelet vervangen door een nieuwe laag die de eerste tijd nog rekbaar is zodat het lichaam groter kan worden. Het exoskelet wordt in één keer afgeworpen tijdens de vervelling waarbij de nieuwe huid nog zacht is en dit geldt ook voor de poten en de kaken. De kruisspin is hierdoor erg kwetsbaar voor aanvallen van vijanden en trekt zich enige tijd voor de vervelling terug op een beschutte plaats en komt pas tevoorschijn als het lichaam is uitgehard.

De kruisspin is een groot deel van het leven bezig met het bouwen van een web. Het web is vergelijkbaar met dat van andere wielwebspinnen, deze familie van spinnen bouwt een vierkant frame met een spiraalvormige vangdraad in het midden die ondersteund wordt door een aantal draden die van het frame naar het midden van het web lopen en doen denken aan spaken. Het web in zijn geheel lijkt hierdoor op een fietswiel waaraan de naam van de spinnen te danken is. Het web raakt gemakkelijk beschadigd en snel vervuild, bovendien drogen de spinseldraden snel uit zodat het web iedere dag vervangen moet worden. Ook na iedere vangst moet het web gerepareerd worden omdat een spartelend prooidier het web beschadigt.

Bij het bouwen van het web wordt eerst een verticale draad gespannen die de brugdraad wordt genoemd. Vervolgens worden aan de onder- en bovenzijde twee horizontale draden gesponnen waarbij deze weer worden verbonden door een verticale draad aan de andere zijde. Zo is een vierkant ontstaan, waarbij een draad in het midden van boven naar beneden wordt gemaakt. Vervolgens maakt de spin draden van het midden van het web naar de randen van het vierkant, die lijken op spaken. Deze worden tenslotte verbonden door een spiraalvormige, kleverige vangdraad.

 

Voortplanting:

Jonge spinnetjes blijven bij elkaar maar bij verstoring rennen ze alle kanten op.

Aan het einde van de zomer is de kruisspin volwassen. Eenmaal volwassen maken de spinnen veel grotere webben dan jonge spinnen, waardoor ze goed opvallen. De vrouwtjes blijven in hun web terwijl mannetjes naar een vrouwtje op zoek gaan. De paring is voor een mannetje een hachelijke zaak; hij moet omzichtig te werk gaan om niet als prooi gezien te worden. Het mannetje is aanmerkelijk kleiner dan het vrouwtje en moet haar laten weten dat hij geen prooi is. Het mannetje produceert krijgt voor elkaar door trillingen te maken in het web van het vrouwtje.

De paring van spinnen is uitwendig, het mannetje heeft aan de monddelen of pedipalpen een ballonnetje wat de bulbus wordt genoemd. Deze heeft een pipet-achtige werking zodat sperma kan worden opgezogen en later in het vrouwelijke geslachtsorgaan of epigine kan worden afgegeven. Zowel de palp van het mannetje als de epigyne van het vrouwtje hebben bij de kruisspin een precies in elkaar passende vorm, zodat met de palp van een mannelijke kruisspin alleen in de epigine van een vrouwelijke kruisspin kan worden gebracht. Dit wordt nog versterkt door de stekels en haken die de palp draagt. Als de palp is gevuld met wordt het als een spermapakketje of spermatofoor ingebracht.

Tijdens de paring probeert het mannetje het vrouwtje zo snel mogelijk te bevruchten, dan loopt hij de minste kans om te worden opgegeten. Als het mannetje weet te ontsnappen kan hij nog een tweede keer paren, de mannetjes worden niet altijd opgegeten.

Na de bevruchting wordt het sperma opgeslagen in een speciaal kamertje, de spermatheek. Het vrouwtje heeft een gepaarde eileider waar de eicellen worden bevrucht en de eieren worden gevormd. Hierbij zwelt het achterlichaam enorm op. De eitjes worden afgezet in een cocon, die bestaat uit een ronde schijf van spinsel waarvan de zijkant wordt voorzien van een opstaande rand. Nu ontstaat een kamertje waarin de eitjes worden afgezet. De grootte van de cocon correleert met de grootte van de spin; een klein exemplaar zal een kleinere cocon bouwen. Dit geldt echter niet voor het aantal eitjes, dat varieert van enige tientallen tot honderden eitjes. Als de cocon af is, wordt deze voorzien van pluizige spinseldraden ter bescherming. De cocon wordt de eerste tijd bewaakt door het vrouwtje waarbij eventuele beschadigingen worden gerepareerd. De eicocons worden in herfst afgezet op verborgen plekken in planten en zie er uit als een pluk watten met in het midden de gelige eitjes. Het vrouwtje stopt met jagen en sterft vaak korte tijd nadat haar eiercocon is afgezet.

De eieren overwinteren; in de lente komen de jonge spinnetjes tevoorschijn, ze hebben een kenmerkende gele lichaamskleur en houden zich de eerste dagen op in een van spinsel gemaakt nest. Het groepje jonge kruisspinnen verspreid zich als het nest wordt verstoord om enige tijd later weer samen te komen. De jonge kruisspinnen of spiderlings leven de eerste tijd van het voedsel in hun dooier; hier doen ze ongeveer 7 tot 10 dagen mee. Daarna klimmen ze zo hoog mogelijk in een plant en laten ze uit hun achterlijf een lange draad de lucht in zweven. Deze draad wordt door de wind opgepakt en neemt de jonge spin mee de lucht in. Zo verspreiden de kleine spinnetjes zich -terwijl ze niet kunnen vliegen- door de lucht en kunnen honderden meters verder terechtkomen. De jonge spinnen maken een web dat al direct lijkt op dat van volwassen exemplaren, al het is het nog veel kleiner.

 

Ecologie:

De kruisspin bouwt zijn web op open plekken tussen lage boomtakken of in struiken, die echter van de wind zijn afgeschermd. Het web wordt gemakkelijk door regen en wind vernietigd waardoor de spin alleen voorkomt op beschutte plaatsen. Tuinen van mensen zijn voor de kruisspin ideaal, omdat deze vaak hogere begroeiing bevatten en relatief goed zijn afgeschermd van felle zon en van wind door het naastgelegen huis.

De kruisspin heeft een vochtige leefomgeving nodig en kan slecht tegen droogte en komt vooral voor in laaglanden. Een andere weersomstandigheid waar de spin onder lijdt is hevige regenval.

 

Voedsel:

Met het web, waarin de spin gewoonlijk ondersteboven in het centrum zit te wachten, wordt het voedsel gevangen. Het web wordt dagelijks opnieuw gesponnen, dit duurt ongeveer 20 minuten. Het is een wielvormig web waarbij het centrum zich iets boven het midden bevindt met een grote mate van symmetrie.

Het web wordt gemaakt op enige hoogte en bevindt zich vaak tussen twee takken. Sommige spinnen jagen op bodembewonende prooien en maken geen web, een voorbeeld is de wolfspin. Andere soorten hebben zich gespecialiseerd in het vangen van springende insecten die zich bij de bodem bevinden en jagen op bijvoorbeeld sprinkhanen zoals de wespspin. De kruisspin bezet een andere niche en bouwt het web op enige hoogte boven de bodem in struiken en lagere takken van bomen. Het web van de kruisspin is geschikt om vliegende insecten te vangen, zowel kleine als wat grotere vliegende insecten. Bekende prooien zijn vliegen en muggen, wespen en bijen maar ook grotere insecten zoals vlinders worden gegeten. Heel kleine prooien die in het web geraken, zoals bladluizen, worden genegeerd.

Zodra een prooi het web invliegt wordt de spin gealarmeerd door de trillingen van de draden van het web. Deze draden dienen speciaal om te spin te alarmeren en worden de signaaldraden genoemd. De spin snelt zich naar de prooi en wikkelt deze snel in spinsel. Pas daarna wordt een beet toegediend die de prooi verlamd. De ingepakte prooi wordt vervolgens uit het web gehaald en wordt in een schuilplaats van de spin opgegeten.

In de zomer van hun tweede levensjaar zijn de wijfjes zo groot dat ze een web van ongeveer 60 cm doorsnede maken. De spinnenwebben zijn voornamelijk tegen het eind van de zomer goed zichtbaar; de spinnen zaten er reeds lange tijd maar hun webben zijn nu veel groter geworden. Vooral bij vochtige weersomstandigheden zijn de webben duidelijk te zien doordat ze bedekt zijn met dauwdruppels waardoor ze een zilverachtige glans krijgen. Het grootste deel van de volwassen spinnen overleeft de eerste nachtvorst niet.

 

Vijanden:

De voornaamste vijanden van de kruisspin zijn verschillende insectenetende vogels, die de spin uit het web plukken. Ook verschillende andere spinnen zijn vijand, voornamelijk de spinneneters. Dit zijn spinnen die exclusief op andere spinnen jagen en in hun eigen web aanvallen, zoals de soorten uit het geslacht Ero. Daarnaast zijn kruispinnen kannibalistisch en eten kleinere soortgenoten op. Niet alleen mannetjes die met een vrouwtje willen paren moeten uitkijken, ook als twee vrouwtjes elkaar tegenkomen vallen ze elkaar aan en proberen elkaar in te spinnen.

Bij verstoring begint de spin hevig verticaal heen- en weer te schudden in het web door spiercontracties van de poten. Bij ernstige verstoring laat de spin zich loodrecht naar beneden vallen waarbij het lichaam met een spindraad wordt geankerd. De spin houdt zich op de bodem een tijdje schijndood waarbij de poten worden ingetrokken. Na enige tijd klimt de spin weer naar boven waarbij de ankerdraad wordt gebruikt.

Kruisspinnen hebben gifkaken maar gebruiken deze alleen om op prooien te jagen en niet om vijanden af te weren. Alleen als een spin tussen de vingers wordt vastgeklemd zal deze in het uiterste geval bijten wat pijnlijk is maar niet gevaarlijk.

De grootste vijand van de spinnen is het klimaat; ze lijden vooral onder droogte en zware regenval. Ook de mens is een belangrijke vijand omdat deze spinnen doodt en hun web vernielen. De spinnen moeten ook opletten voor sommige sluipwespen zoals de spinnendoders, die de spin verlammen en naar het nest brengen meestal een holletje onder de grond. In de verlamde spin wordt vervolgens een ei afgezet, als de larve van de sluipwesp uit het ei kruipt wordt de kruisspin levend en van binnenuit opgegeten.

 

Naamgeving en taxonomie:

De kruisspin werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven in 1757 door Carl Alexander Clerck als Araneus diadematus. De soort werd later beschreven door Linnaeus als Aranea diadema maar omdat de eerste naam telt is deze laatste naam vervallen. Ook werd de soort vroeger tot het geslacht Epeira gerekend, maar dit is achterhaald. De wetenschappelijke naam Araneus diadematus betekent vrij vertaald spin (Araneus) met een kroontje (diadematus) wat slaat op de karakteristieke vlekkentekening op het achterlijf. Ook de Nederlandse naam is te danken aan het witte 'kruis' op de bovenzijde van het achterlijf, dat is opgebouwd uit verschillende vlekken. In andere talen zoals het Zweeds (Korsspindel) wordt ook verwezen naar het kruis. In veel talen wordt de spin 'tuinspin' genoemd, een verwijzing naar het voorkomen van de soort in tuinen, zoals in het Engels (European garden spider).

De kruisspin behoort tot de familie wielwebspinnen of Araneidae, dit is een bekende groep van spinnen omdat ze allemaal een web maken dat lijkt op een wiel. Er zijn ongeveer 50 Europese soorten wielwebspinnen waarvan er ongeveer 25 voorkomen in Nederland. [1] Het geslacht Araneus waartoe de spin behoort wordt in Nederland vertegenwoordigd door zes andere soorten.

 

Ondersoorten:

De kruisspin wordt verdeeld in vier verschillende ondersoorten, die voornamelijk verschillen in verspreidingsgebied;

 

Araneus diadematus islandicus - IJsland

Araneus diadematus nemorosus - Frankrijk

Araneus diadematus soror - Corsica

Araneus diadematus stellatus - De rest van Europa

Title: Abhandlungen herausgegeben vom Naturwissenschaftlichen Verein zu Bremen

Identifier: abhandlungenhera17natu

Year: 1866- (1860s)

Authors: Naturwissenschaftlicher Verein zu Bremen

Subjects: Natural history; Natural history -- Germany

Publisher: Bremen : Im Selbstverlag des Naturwissenschaftlichen Vereins

Contributing Library: The LuEsther T Mertz Library, the New York Botanical Garden

Digitizing Sponsor: The LuEsther T Mertz Library, the New York Botanical Garden

  

View Book Page: Book Viewer

About This Book: Catalog Entry

View All Images: All Images From Book

 

Click here to view book online to see this illustration in context in a browseable online version of this book.

  

Text Appearing Before Image:

96 Behaarung wie bei No. 62. Länge des $ bis 2/3 mm, des cT bis 0,35 mm. Grundfarbe gelblich, durch das Auftreten von helleren oder dunkleren, violetten Zeichnungselementen mehr oder weniger in den Hintergrund gedrängt. Die Zeichnung der vorliegenden Varietät besteht am Ab- domen aus einer lateralen Längsbinde jederseits und einer dorsalen unpaaren Längsbinde, welche hinten mit den Lateralbinden ver- schmilzt. Nicht selten sieht man nun zwischen den Längsbinden Querbinden auftreten, die schliesslich zu einer Schwarzfärbung des ganzen Rückens führen. Die Färbung der Antennen variiert zwischen hellgelb und dunkelviolett; konstant scheint ferner noch ein schwarzer Pigmentfleck zwischen den Antennenbases zu sein. Die Augen stehen auf tief schwarz pigmentiertem Grunde. Violett pigmentiert sind häufig die Beine und Furca. Diese letzteren Formen, mit mehr oder minder schwarzgefärbtem Rücken und violetten Extremitäten bezeichne ich als var. nigrescens nov. var. Beide Formen, die bei den cTcT wie bei $ £ zu beobachten sind, erbeutete ich in grosser Anzahl auf einem Graben am Nord- Rande des Hasbruch. Die forma principalis [= S. malmgreni (Tullb.)] scheint bei uns zu fehlen. 64. S. aquaticus (Bourl.) mihi. Syn.: Sminthurus aquaticus Bourl., 1843. Sminthurus apicalis Reuter, 1881. Prosminthurus aquaticus Willem, 1900. Diagnose: Mit den Hauptmerkmalen der Gattung. Chitin gekörnelt. 8 Ommatidien jederseits, das innerste meist sehr klein. Antennen des £ meist dünn und lang, Glied IV einfach oder auch sekundär geringelt, niemals gegliedert. Antenne des cf (Fig. 42)

 

Text Appearing After Image:

Fig. 42. Sminthurides aquaticus (Bourl.). Linke Antenne eines <5\ Glied I und IV nur angedeutet. x 500.

  

Note About Images

Please note that these images are extracted from scanned page images that may have been digitally enhanced for readability - coloration and appearance of these illustrations may not perfectly resemble the original work.

De kruisspin (Araneus diadematus) is een middelgrote spin die behoort tot de familie wielwebspinnen (Araneidae).

De kruisspin is in tegenstelling tot veel andere spinnen geen schuwe soort, maar eentje die vaak midden in het web zit en moeilijk over het hoofd is te zien. De spin wordt ook relatief groot tot zo'n 17 millimeter. De naam is te danken aan de op een kruis gelijkend patroon op het achterlijf dat bestaat uit een groepje lichtere tot witte vlekjes die afsteken tegen de donkerbruine tot gele achtergrondkleur. De kruisspin is in Europa een van de meer algemene soorten en de spin komt ook in België en Nederland voor. Omdat de kruisspin in beschaduwde, van de wind afgeschermde hogere planten leeft duikt de spin vaak op in tuinen en hierdoor is het een van de bekendste Europese spinnen.

De kruisspin bouwt het web op enige hoogte en vangt voornamelijk vliegende insecten. De spin wordt zelf gegeten door insecteneters zoals vogels. De levenscyclus is tweejarig; de paring vindt plaats in de herfst en de eitjes overwinteren. In de lente komen ze uit en pas het volgende jaar worden de spinnen volwassen.

De kruisspin is door de Europese Arachnologische Vereniging uitgeroepen tot spin van het jaar 2010.

 

Verspreiding:

De kruisspin komt voor in zowel Noord-Amerika als in grote delen van Europa. In Noord-Amerika heeft de spin een groot verspreidingsgebied in het noorden, op de grens tussen de Verenigde Staten en Canada. De spin komt voor van het oosten in New Engeland tot in het westen in Brits-Columbia, Washington en Oregon.

In Europa komt de kruisspin voor van noordelijk Scandinavië tot in landen aan de Middellandse Zee. In Groot-Brittannië komt de spin overal voor op enkele locaties in noordelijk Schotland na. Op het eiland Ierland is de spin echter zeer zeldzaam en is hij alleen bekend van enkele verspreide populaties in het noorden.

In België en Nederland komt de soort overal algemeen voor. In Nederland is de spin ook aangetroffen op de Waddeneilanden.

 

Kenmerken:

Lichaamsdelen van een kruisspin:

A = poten

B = achterlijf

C = kopborststuk

D = ogen

E = kaak

F = palp

 

De kruisspin heeft geen typische kleur; er is veel variatie. De meeste exemplaren zijn bruin tot roodbruin van kleur maar ook afwijkende kleuren als geel, rood en oranje komen voor. Op het achterlijf is vrijwel altijd een wit kruis te zien.

De kruisspin kent net als veel andere spinnen een sterke seksuele dimorfie; dit wil zeggen dat de mannetjes en de vrouwtjes er totaal anders uitzien. [8] Als de spinnen net uit het ei komen is het geslacht niet vast te stellen maar bij de volwassen exemplaren zijn de vrouwtjes veel groter dan de mannetjes. De vrouwtjes bereiken een lichaamslengte van 12 tot 17 millimeter, exclusief poten, terwijl de mannetjes ongeveer 5 tot 10 millimeter lang worden. [6] Als de spinnen nog jong zijn, verschillen de mannetjes en wijfjes niet veel van elkaar. Na verloop van tijd groeien de wijfjes harder dan de mannetjes. In de zomer van hun tweede levensjaar, als de wijfjes volwassen worden, groeien ze zeer snel. Mannetjes hebben naar verhouding langere poten maar een beduidend kleiner achterlijf dan een vrouwtje. Vooral vrouwtjes die eieren dragen hebben een opvallend dik achterlijf.

Wat direct opvalt aan de spin zijn de vier paar lange poten. De poten dragen een stekelige beharing, de haartjes hebben een tastzintuiglijke functie. De kleur van de poten is bruin met afwisselende lichte banden. De poten bestaan net als bij andere spinnen uit zeven segmenten, waarvan de uiteinden de tarsen worden genoemd. Deze dragen kleine klauwtjes waarmee de spin zich aan de ondergrond hecht. Het voorste paar poten is het langst en wordt gebruikt om de omgeving af te tasten.

Het lichaam van de spin is verdeeld in twee zichtbare delen, de achterzijde wordt het achterlijf of abdomen genoemd en de voorzijde bestaat uit de met het borststuk gefuseerde kop, het kopborststuk of cephalothorax. Het kopborststuk is lichter gekleurd dan het achterlijf en ongevlekt. Aan de voorzijde van het kopborststuk zijn de ogen gelegen, de kruisspin heeft er acht in totaal. Aan de voorzijde zijn vier oogjes gelegen die iets van elkaar staan, aan weerszijden van de kop zijn steeds twee oogjes aanwezig die dichter tegen elkaar liggen. De ogen zijn donker van kleur en glanzend, ze doen kraalachtig aan. De ogen bestaan uit een enkele structuur met ieder een eigen lens, de ogen worden bij spinnen wel puntoogjes of ommatidiën genoemd. Aan de onderzijde van de kop bevinden zich twee paar kaken, (E) de bovenkaken zijn voorzien van klauw-achtige structuren en bevatten een gifkanaal, de gifklieren zijn gelegen in het kopborststuk. De spin neemt voedsel op door eerst verteringssappen in de prooi te brengen en deze vervolgens weer op te zuigen. Hierbij wordt de prooi al deels buiten het lichaam van de spin verteerd. De palpen hebben een zintuiglijke functie en worden door de mannetjes van veel soorten gebruikt als spermacapsule.

 

Achterlijf:.

Het achterlijf is bolvormig en rond van vorm, aan de achterzijde zijn zowel bij mannetjes als vrouwtjes altijd drie paar spintepels aanwezig. Dit zijn de uitscheidingsorganen waarmee het spinnenweb wordt gebouwd, maar ook prooien en eicocons worden omwikkeld. De spintepels kunnen verschillende soorten draden produceren; stevige en niet-kleverige draden om het frame van het web te maken en de eitjes te voorzien van een beschermende laag spinsel en kleverige vangdraden om prooien in het web te vangen.

De kruisspin is te herkennen aan de lichte vlekken op de bovenzijde van het achterlijf. Vrijwel alle exemplaren hebben een duidelijk kruisvormige groepering van de vlekken, slechts bij sommige exemplaren ontbreekt het kruis. Op de afbeelding is het vlekpatroon van een willekeurig exemplaar weergegeven in rustpositie; dus met de kop naar beneden. Het kruis wordt gevormd door een groep lichtere tot witte vlekken, die bestaan uit twee verticaal langwerpige vlekken aan de boven- en onderzijde en twee horizontaal langwerpige vlekken aan weerszijden. Daar waar de vlekken samenkomen is een vlek in het midden aanwezig. Aan weerszijden van de kleine vlek zijn twee vlekken aanwezig, waarbij de linkervlek vaak kleiner is dan die aan de rechterzijde. Boven de groep vlekken die het kruis vormen, wordt het kruismotief herhaald door kleinere ronde vlekjes.

De lichtere vlekken worden niet veroorzaakt door pigmenten maar door onder de huid gelegen cellen die gevuld zijn met guaninekristallen. De cellen die de kristallen bevatten worden wel guanocieten genoemd. Guanine ontstaat als afvalstof van de spijsvertering en wordt omgezet in kristallen en opgeslagen in de guanocieten. De kristallen weerkaatsen alle licht waardoor ze wit aandoen, de bovengelegen huidlaag is doorzichtig zodat ze goed opvallen.

 

Onderscheid met andere soorten:

De kruisspin lijkt enigszins op de eikenbladspin (Aculepeira ceropegia). Deze soort heeft echter een iets ander patroon op de rug, dat doet denken aan een vlampatroon. De eikenbladspin blijft kleiner en overwintert als jonge spin en niet als ei. Ook de viervlekwielwebspin (Araneus quadratus) lijkt door de vier lichtere vlekken op de kruisspin maar heeft een duidelijk boller achterlijf. Andere wielwebspinnen lijken niet op de kruisspin doordat ze bijvoorbeeld uitsteeksels hebben op het achterlijf, zoals de schouderkruisspin (Araneus angulatus) of een afwijkende lichaamsvorm hebben, zoals de platte wielwebspin (Nuctenea umbratica). Sommige wielwebspinnen zijn door hun andere kleuren gemakkelijk te onderscheiden, zoals de geelgestreepte wespspin.

 

Levenswijze:

De kruisspin moet net als alle geleedpotigen regelmatig vervellen om te kunnen groeien, hiertoe wordt het harde exoskelet vervangen door een nieuwe laag die de eerste tijd nog rekbaar is zodat het lichaam groter kan worden. Het exoskelet wordt in één keer afgeworpen tijdens de vervelling waarbij de nieuwe huid nog zacht is en dit geldt ook voor de poten en de kaken. De kruisspin is hierdoor erg kwetsbaar voor aanvallen van vijanden en trekt zich enige tijd voor de vervelling terug op een beschutte plaats en komt pas tevoorschijn als het lichaam is uitgehard.

De kruisspin is een groot deel van het leven bezig met het bouwen van een web. Het web is vergelijkbaar met dat van andere wielwebspinnen, deze familie van spinnen bouwt een vierkant frame met een spiraalvormige vangdraad in het midden die ondersteund wordt door een aantal draden die van het frame naar het midden van het web lopen en doen denken aan spaken. Het web in zijn geheel lijkt hierdoor op een fietswiel waaraan de naam van de spinnen te danken is. Het web raakt gemakkelijk beschadigd en snel vervuild, bovendien drogen de spinseldraden snel uit zodat het web iedere dag vervangen moet worden. Ook na iedere vangst moet het web gerepareerd worden omdat een spartelend prooidier het web beschadigt.

Bij het bouwen van het web wordt eerst een verticale draad gespannen die de brugdraad wordt genoemd. Vervolgens worden aan de onder- en bovenzijde twee horizontale draden gesponnen waarbij deze weer worden verbonden door een verticale draad aan de andere zijde. Zo is een vierkant ontstaan, waarbij een draad in het midden van boven naar beneden wordt gemaakt. Vervolgens maakt de spin draden van het midden van het web naar de randen van het vierkant, die lijken op spaken. Deze worden tenslotte verbonden door een spiraalvormige, kleverige vangdraad.

 

Voortplanting:

Jonge spinnetjes blijven bij elkaar maar bij verstoring rennen ze alle kanten op.

Aan het einde van de zomer is de kruisspin volwassen. Eenmaal volwassen maken de spinnen veel grotere webben dan jonge spinnen, waardoor ze goed opvallen. De vrouwtjes blijven in hun web terwijl mannetjes naar een vrouwtje op zoek gaan. De paring is voor een mannetje een hachelijke zaak; hij moet omzichtig te werk gaan om niet als prooi gezien te worden. Het mannetje is aanmerkelijk kleiner dan het vrouwtje en moet haar laten weten dat hij geen prooi is. Het mannetje produceert krijgt voor elkaar door trillingen te maken in het web van het vrouwtje.

De paring van spinnen is uitwendig, het mannetje heeft aan de monddelen of pedipalpen een ballonnetje wat de bulbus wordt genoemd. Deze heeft een pipet-achtige werking zodat sperma kan worden opgezogen en later in het vrouwelijke geslachtsorgaan of epigine kan worden afgegeven. Zowel de palp van het mannetje als de epigyne van het vrouwtje hebben bij de kruisspin een precies in elkaar passende vorm, zodat met de palp van een mannelijke kruisspin alleen in de epigine van een vrouwelijke kruisspin kan worden gebracht. Dit wordt nog versterkt door de stekels en haken die de palp draagt. Als de palp is gevuld met wordt het als een spermapakketje of spermatofoor ingebracht.

Tijdens de paring probeert het mannetje het vrouwtje zo snel mogelijk te bevruchten, dan loopt hij de minste kans om te worden opgegeten. Als het mannetje weet te ontsnappen kan hij nog een tweede keer paren, de mannetjes worden niet altijd opgegeten.

Na de bevruchting wordt het sperma opgeslagen in een speciaal kamertje, de spermatheek. Het vrouwtje heeft een gepaarde eileider waar de eicellen worden bevrucht en de eieren worden gevormd. Hierbij zwelt het achterlichaam enorm op. De eitjes worden afgezet in een cocon, die bestaat uit een ronde schijf van spinsel waarvan de zijkant wordt voorzien van een opstaande rand. Nu ontstaat een kamertje waarin de eitjes worden afgezet. De grootte van de cocon correleert met de grootte van de spin; een klein exemplaar zal een kleinere cocon bouwen. Dit geldt echter niet voor het aantal eitjes, dat varieert van enige tientallen tot honderden eitjes. Als de cocon af is, wordt deze voorzien van pluizige spinseldraden ter bescherming. De cocon wordt de eerste tijd bewaakt door het vrouwtje waarbij eventuele beschadigingen worden gerepareerd. De eicocons worden in herfst afgezet op verborgen plekken in planten en zie er uit als een pluk watten met in het midden de gelige eitjes. Het vrouwtje stopt met jagen en sterft vaak korte tijd nadat haar eiercocon is afgezet.

De eieren overwinteren; in de lente komen de jonge spinnetjes tevoorschijn, ze hebben een kenmerkende gele lichaamskleur en houden zich de eerste dagen op in een van spinsel gemaakt nest. Het groepje jonge kruisspinnen verspreid zich als het nest wordt verstoord om enige tijd later weer samen te komen. De jonge kruisspinnen of spiderlings leven de eerste tijd van het voedsel in hun dooier; hier doen ze ongeveer 7 tot 10 dagen mee. Daarna klimmen ze zo hoog mogelijk in een plant en laten ze uit hun achterlijf een lange draad de lucht in zweven. Deze draad wordt door de wind opgepakt en neemt de jonge spin mee de lucht in. Zo verspreiden de kleine spinnetjes zich -terwijl ze niet kunnen vliegen- door de lucht en kunnen honderden meters verder terechtkomen. De jonge spinnen maken een web dat al direct lijkt op dat van volwassen exemplaren, al het is het nog veel kleiner.

 

Ecologie:

De kruisspin bouwt zijn web op open plekken tussen lage boomtakken of in struiken, die echter van de wind zijn afgeschermd. Het web wordt gemakkelijk door regen en wind vernietigd waardoor de spin alleen voorkomt op beschutte plaatsen. Tuinen van mensen zijn voor de kruisspin ideaal, omdat deze vaak hogere begroeiing bevatten en relatief goed zijn afgeschermd van felle zon en van wind door het naastgelegen huis.

De kruisspin heeft een vochtige leefomgeving nodig en kan slecht tegen droogte en komt vooral voor in laaglanden. Een andere weersomstandigheid waar de spin onder lijdt is hevige regenval.

 

Voedsel:

Met het web, waarin de spin gewoonlijk ondersteboven in het centrum zit te wachten, wordt het voedsel gevangen. Het web wordt dagelijks opnieuw gesponnen, dit duurt ongeveer 20 minuten. Het is een wielvormig web waarbij het centrum zich iets boven het midden bevindt met een grote mate van symmetrie.

Het web wordt gemaakt op enige hoogte en bevindt zich vaak tussen twee takken. Sommige spinnen jagen op bodembewonende prooien en maken geen web, een voorbeeld is de wolfspin. Andere soorten hebben zich gespecialiseerd in het vangen van springende insecten die zich bij de bodem bevinden en jagen op bijvoorbeeld sprinkhanen zoals de wespspin. De kruisspin bezet een andere niche en bouwt het web op enige hoogte boven de bodem in struiken en lagere takken van bomen. Het web van de kruisspin is geschikt om vliegende insecten te vangen, zowel kleine als wat grotere vliegende insecten. Bekende prooien zijn vliegen en muggen, wespen en bijen maar ook grotere insecten zoals vlinders worden gegeten. Heel kleine prooien die in het web geraken, zoals bladluizen, worden genegeerd.

Zodra een prooi het web invliegt wordt de spin gealarmeerd door de trillingen van de draden van het web. Deze draden dienen speciaal om te spin te alarmeren en worden de signaaldraden genoemd. De spin snelt zich naar de prooi en wikkelt deze snel in spinsel. Pas daarna wordt een beet toegediend die de prooi verlamd. De ingepakte prooi wordt vervolgens uit het web gehaald en wordt in een schuilplaats van de spin opgegeten.

In de zomer van hun tweede levensjaar zijn de wijfjes zo groot dat ze een web van ongeveer 60 cm doorsnede maken. De spinnenwebben zijn voornamelijk tegen het eind van de zomer goed zichtbaar; de spinnen zaten er reeds lange tijd maar hun webben zijn nu veel groter geworden. Vooral bij vochtige weersomstandigheden zijn de webben duidelijk te zien doordat ze bedekt zijn met dauwdruppels waardoor ze een zilverachtige glans krijgen. Het grootste deel van de volwassen spinnen overleeft de eerste nachtvorst niet.

 

Vijanden:

De voornaamste vijanden van de kruisspin zijn verschillende insectenetende vogels, die de spin uit het web plukken. Ook verschillende andere spinnen zijn vijand, voornamelijk de spinneneters. Dit zijn spinnen die exclusief op andere spinnen jagen en in hun eigen web aanvallen, zoals de soorten uit het geslacht Ero. Daarnaast zijn kruispinnen kannibalistisch en eten kleinere soortgenoten op. Niet alleen mannetjes die met een vrouwtje willen paren moeten uitkijken, ook als twee vrouwtjes elkaar tegenkomen vallen ze elkaar aan en proberen elkaar in te spinnen.

Bij verstoring begint de spin hevig verticaal heen- en weer te schudden in het web door spiercontracties van de poten. Bij ernstige verstoring laat de spin zich loodrecht naar beneden vallen waarbij het lichaam met een spindraad wordt geankerd. De spin houdt zich op de bodem een tijdje schijndood waarbij de poten worden ingetrokken. Na enige tijd klimt de spin weer naar boven waarbij de ankerdraad wordt gebruikt.

Kruisspinnen hebben gifkaken maar gebruiken deze alleen om op prooien te jagen en niet om vijanden af te weren. Alleen als een spin tussen de vingers wordt vastgeklemd zal deze in het uiterste geval bijten wat pijnlijk is maar niet gevaarlijk.

De grootste vijand van de spinnen is het klimaat; ze lijden vooral onder droogte en zware regenval. Ook de mens is een belangrijke vijand omdat deze spinnen doodt en hun web vernielen. De spinnen moeten ook opletten voor sommige sluipwespen zoals de spinnendoders, die de spin verlammen en naar het nest brengen meestal een holletje onder de grond. In de verlamde spin wordt vervolgens een ei afgezet, als de larve van de sluipwesp uit het ei kruipt wordt de kruisspin levend en van binnenuit opgegeten.

 

Naamgeving en taxonomie:

De kruisspin werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven in 1757 door Carl Alexander Clerck als Araneus diadematus. De soort werd later beschreven door Linnaeus als Aranea diadema maar omdat de eerste naam telt is deze laatste naam vervallen. Ook werd de soort vroeger tot het geslacht Epeira gerekend, maar dit is achterhaald. De wetenschappelijke naam Araneus diadematus betekent vrij vertaald spin (Araneus) met een kroontje (diadematus) wat slaat op de karakteristieke vlekkentekening op het achterlijf. Ook de Nederlandse naam is te danken aan het witte 'kruis' op de bovenzijde van het achterlijf, dat is opgebouwd uit verschillende vlekken. In andere talen zoals het Zweeds (Korsspindel) wordt ook verwezen naar het kruis. In veel talen wordt de spin 'tuinspin' genoemd, een verwijzing naar het voorkomen van de soort in tuinen, zoals in het Engels (European garden spider).

De kruisspin behoort tot de familie wielwebspinnen of Araneidae, dit is een bekende groep van spinnen omdat ze allemaal een web maken dat lijkt op een wiel. Er zijn ongeveer 50 Europese soorten wielwebspinnen waarvan er ongeveer 25 voorkomen in Nederland. [1] Het geslacht Araneus waartoe de spin behoort wordt in Nederland vertegenwoordigd door zes andere soorten.

 

Ondersoorten:

De kruisspin wordt verdeeld in vier verschillende ondersoorten, die voornamelijk verschillen in verspreidingsgebied;

 

Araneus diadematus islandicus - IJsland

Araneus diadematus nemorosus - Frankrijk

Araneus diadematus soror - Corsica

Araneus diadematus stellatus - De rest van Europa

Facettenaugen

Diese bestehen aus bis zu 6.000 kleinen Einzelaugen (Ommatidien)

compound eyes

These consist of up to 6,000 small single eyes (ommatidia)

Title: Abhandlungen herausgegeben vom Naturwissenschaftlichen Verein zu Bremen

Identifier: abhandlungenhera17natu

Year: 1866- (1860s)

Authors: Naturwissenschaftlicher Verein zu Bremen

Subjects: Natural history; Natural history -- Germany

Publisher: Bremen : Im Selbstverlag des Naturwissenschaftlichen Vereins

Contributing Library: The LuEsther T Mertz Library, the New York Botanical Garden

Digitizing Sponsor: The LuEsther T Mertz Library, the New York Botanical Garden

  

View Book Page: Book Viewer

About This Book: Catalog Entry

View All Images: All Images From Book

 

Click here to view book online to see this illustration in context in a browseable online version of this book.

  

Text Appearing Before Image:

92 62. S. penicillifer (Schäffer) mihi. Syn. Sminthurus penicillifer Schäffer, 1896. Diese höchst bemerkenswerte Art wurde von Herrn Poppe bei Vegesack im September 1885 entdeckt. Seitdem war sie nicht wieder beobachtet worden, doch gelang es mir, neues und recht zahlreiches Material an verschiedenen Orten unserer Gegend zu sammeln, und es ist mir daher möglich geworden, an dieser Stelle eine genaue Beschreibung dieser guten Art zu geben, damit die von Schäffer (21) gegebene Diagnose, welche, soweit es die appendi- kulären Organe betrifft, sehr ungenau ist, nicht nur ergänzt, sondern richtig gestellt wird. Diagnose: Mit den Hauptmerkmalen der Gattung Sminthurides CB. Chitin wie bei S. aquaticus (Bourl.), S. malmgreni (Tullb.) var. elegantula (Rt.), S. violaceus (Rt.) etc. gekörnelt, sehr selten gefeldert (einmal bei einem cT beobachtet). 8 Ommatidien jederseits, das innerste sehr klein. Antennen des $ lang, das vierte Glied einfach oder geringelt, nicht gegliedert. I: II: III: IV etwa gleich 1 : l1/2 '• 4—5 : 6—7. An- tenne des c? ähnlich der von S. aquaticus c? und 8. var. elegantuhi doch in einigen Punkten unterschieden (Fig. 39): Glied I und IV einfach,

 

Text Appearing After Image:

Fig. 39. Sminthurides penicillifer (Schäffer). Kechte Antenne eines ~\ von oben gesehen. x 500. unverändert, I auf der Aussenseite mit einigen groben Körnern, sonst wie auch die übrigen Glieder glatt. Glied II: proximaler Teil bis etwa zur Mitte sehr kräftig, Chitin auf der Oberseite grob gekörnelt, bis zum distalen Eude sich verjüngend (gleiche Verhält- nisse, nur nicht so auffallend, bei den andern Arten). Auf der Innenseite stehen 3 Warzen, die an der Spitze hakenförmig gebogene kräftige Borsten tragen; die proximale Warze ist die grösste, die beiden distalen stehen neben einander; die Borste der proximalen ist mehr als doppelt so lang als die der distalen, stark gekrümmt, spitz; die Borsten der distalen kurz, wenig gekrümmt, stumpf.

  

Note About Images

Please note that these images are extracted from scanned page images that may have been digitally enhanced for readability - coloration and appearance of these illustrations may not perfectly resemble the original work.

De hoornaar (Vespa crabro) is een vliesvleugelig insect uit de familie plooivleugelwespen (Vespidae). De hoornaar behoort tot de echte wespen of papierwespen (Vespinae) en is een van de bekendere soorten wespen in Europa.

 

De hoornaar kan tot 3,5 centimeter lang worden en is hiermee de grootste wespachtige van België en Nederland. Daarnaast komt de wesp voor in delen van Azië en is door de mens uitgezet in Noord-Amerika. Behalve door indrukwekkende afmetingen valt de hoornaar op door zijn roodbruine kop en borststuk en het duidelijk hoorbare, zoemende vlieggeluid. De soort komt niet in grote aantallen voor in België en Nederland, maar is ook weer geen zeldzaamheid. De hoornaar is vooral aan te treffen in het oosten van Nederland. De hoornaar wordt meer dan twee keer zo groot als de meeste andere wespen zoals die uit het geslacht Vespula. Ondanks de indrukwekkende lichaamsgrootte en het luide gezoem is de hoornaar beduidend minder agressief in vergelijking met andere wespen.

 

De steek van de hoornaar is pijnlijker dan de steek van een honingbij maar het gif is minder krachtig. Hoornaars gebruiken het gif om insecten te doden die zij vervolgens met de kaken vermalen tot een papje en aan de larven voeren. De larven geven op hun beurt een zoete vloeistof af aan de werksters die de suikers gebruiken als brandstof om te kunnen vliegen en zo nog meer insecten te vangen.

 

Het nest wordt gemaakt van cellulosevezels die van bomen worden geknaagd. Het nest is bolvormig en bestaat uit meerdere raten. In het nest van de hoornaar is geen honing aanwezig zoals bij de ver verwante honingbij het geval is.

 

Vroeger werden verschillende soorten erkend zoals de Duitse hoornaar (Vespa germanica), de middelste hoornaar (Vespa media) en de grote hoornaar (Vespa crabro). Deze drie worden tegenwoordig als ondersoorten van de hoornaar Vespa crabro gezien, al wordt in veel literatuur nog de oude situatie vermeld.

 

De soort werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Carolus Linnaeus in 1758. Later werd onder andere de wetenschappelijke naam Vespa vulgata gebruikt en de wesp is ook beschreven als Macrovespa crabro. Deze namen worden beschouwd als verouderd en worden wel synoniemen genoemd, in de literatuur duiken dergelijke namen echter nog op.

 

De hoornaar is in de Nederlandse taal tevens bekend onder de namen hoorntje of paardenwesp. In het Fries wordt de hoornaar hoarnbij genoemd.

 

In het verleden werden andere namen gebruikt, Corneel Kiel noemde de hoornaar in zijn publicatie uit 1588 horener en de wesp werd in 1777 door Antoine Angélique Chomel beschreven onder de naam hornaar.

 

De hoornaar wordt in de Nederlandse taal soms wel horzel genoemd, niet alleen in de volksmond (zoals in de Friese taal) maar ook door sommige dierenencyclopedieën. In België wordt de hoornaar in de Vlaamse media horzel genoemd. De Oud-Slavische naam van de horzel is hornut, wat sterk lijkt op het Engelse 'hornet', de naam hornet wordt uitsluitend gebruikt voor de hoornaar. De horzels (familie Oestridae) zijn echter geheel andere insecten die behoren tot de vliegen en niet tot de wespen. Horzels, met als bekendste soort de runderhorzel, kunnen niet bijten en in tegenstelling tot de hoornaar niet steken.

 

Het verspreidingsgebied van de hoornaar beslaat vrijwel geheel Europa en delen van Azië, daarnaast komt de soort voor in zuidoostelijk Noord-Amerika. In Noord-Amerika is de hoornaar verspreid door de mens en komt hier van nature niet voor. De wesp heeft zich hier kunnen handhaven in het zuidoosten en het areaal is sinds de introductie van de wesp flink uitgebreid. In mei 2005 werd een exemplaar aangetroffen in Guatemala, dit is het enige land in Zuid-Amerika waar de hoornaar is gesignaleerd.

 

Binnen Europa is de noordelijkste grens van het verspreidingsgebied gelegen op ongeveer de 63e breedtegraad. De hoornaar komt voor tot in het zuiden van Noorwegen en Finland. In grote delen van het verspreidingsgebied van Duitsland was de hoornaar lange tijd algemeen, maar de soort is hier in delen van het land zeldzamer geworden. In het Verenigd Koninkrijk komt de hoornaar vooral voor in het uiterste zuidoosten, en noordwaarts zijn populaties te vinden tot grofweg de stad York. Vroeger was een populatie bekend in het zuiden van Ierland maar de soort is hier sinds 1999 niet meer waargenomen.

 

De hoornaar komt in Nederland voornamelijk voor op de zandgronden in het zuiden en oosten, maar is de laatste jaren ook vaker in het westen en noorden van Nederland gezien. In België komt de hoornaar zelden voor, met uitzondering van de Kempen en Limburg alsook in het Pajottenland (Vlaams Brabant).

 

Buiten Europa komt de hoornaar voor in delen van de Verenigde Staten en in zuidelijk Canada. In de Verenigde Staten is de wesp in de negentiende eeuw uitgezet. De eerste melding van de hoornaar kwam uit de staat New York ongeveer rond 1840.

 

De hoornaar heeft zich verspreid naar de staten Louisiana, North Dakota, Tennessee en South Dakota. Tegenwoordig komt de wesp westelijk voor tot in Texas, zuidelijk tot in North Carolina en noordelijker tot in delen van Canada. In de staat Mississippi zijn ten westen van de rivier de Mississippi alleen enkele versnipperde populaties bekend.

 

De hoornaar is de grootste wesp van westelijk Europa. De hoornaar wordt gemiddeld 30 millimeter lang, maar koninginnen kunnen beduidend groter zijn. Werksters bereiken een lichaamslengte van 18 tot 24 mm, koninginnen een lengte van 25 tot 35 mm en mannetjes worden 21 tot 28 mm lang.

 

De kop valt op vanwege de grootte; niet alleen is de kop groter door de langere lichaamslengte, relatief gezien heeft een hoornaar een groter vertex of kopschild in vergelijking met andere wespen. Daarnaast heeft de kop een oranje tot rode kleur terwijl verwante plooivleugelwespen een zwart met gele kleur hebben.

 

De ogen van de hoornaar zijn niet rond of ovaal zoals bij veel andere insecten maar zijn langwerpig van vorm. De ogen hebben een komma- achtige vorm. Het voorste deel van het oog is aan de voorzijde van de kop gelegen aan de onderzijde. Het oogoppervlak beslaat naar boven toe de zijkant van de kop van de wesp en kromt hier naar voren. De ogen bestaan uit vele kleine suboogjes die de ommatidiën worden genoemd. Het geheel wordt het facetoog genoemd. Bovenop de kop zijn drie kleine, donker gekleurde individuele oogjes aanwezig, de ocelli. Deze hebben een visueel ondergeschikte functie en kunnen alleen grove lichtverschuivingen waarnemen en geen beelden vormen.

 

In vergelijking met andere wespen heeft de hoornaar een sterk vergroot clypeus, de clypeus is als het ware het 'gezicht' van een insect. De clypeus is een verharde plaat die gelegen is tussen de antennen als bovengrens en de bovenkaak als ondergrens. De hoornaar heeft twee duidelijke kaken die de mandibels worden genoemd. De kaken zijn grotendeels geel van kleur, alleen de binnenzijden zijn zwart gekleurd. Met de kaken worden prooidieren in stukjes geknipt.

 

Mannetjes zijn van de werksters te onderscheiden aan een aantal kenmerken, voornamelijk aan de kop. De omgeving van de ocelli is bij de mannetjes donkerder, deze donkere kleur loopt door naar de basis van de antennes. Ook de antennes verschillen, deze zijn donkerder en hebben meer tyloïden. Dit zijn kleine groepjes zintuiglijke cellen op de antennes. Bij de werksters en vrouwtjes is één tyloïde per antennesegment aanwezig. Bij de mannetjes zijn dit er twee, uitgezonderd het eerste segment dat er één heeft.

 

Het borststuk is het breedste en meest gewelfde deel van het lichaam, het borststuk wordt de thorax genoemd en bestaat uit drie delen. Het borststuk draagt twee paar vleugels aan de bovenzijde en drie paar poten aan de onderzijde. Aan ieder segment is aan de onderzijde een paar poten gehecht en de vleugels zijn op het tweede en derde thoraxsegment gepositioneerd, gezien vanaf de kop. De vleugels van de hoornaar zijn langwerpig van vorm en hebben een rokerige, roodbruine kleur vanuit de zijkant bezien.

 

Het borststuk beschermt de belangrijkste delen van het lichaam; de poten en de vleugelspieren. Het is hiertoe voorzien van enkele verharde platen. De voorzijde van het borststuk is bedekt met het halsschild of pronotum, dit schild bestaat uit een rand aan de achterzijde van de kop die aan weerszijden breder wordt. Het pronotum sluit aan bij de grootste en meest prominent zichtbare plaat op het borststuk, deze wordt wel het mesoscutum genoemd.

 

De kleur van de verschillende delen van het borststuk kan per ondersoort verschillen. De kleur van het achterste deel van het borststuk, de metathorax is bij de ondersoort Vespa crabro crabro zwart van kleur terwijl bij het metathorax van Vespa crabro germana een rode, V- vormige vlek aanwezig is.

 

Het achterlijf bestaat uit segmenten, de achterlijfssegmenten worden aan de bovenzijde als de onderzijde beschermd door verharde platen. De platen aan de onderzijde van ieder segment worden de sternieten genoemd en die aan de bovenzijde de tergieten. Bij de hoornaar is de eerste tergiet roodbruin gekleurd, net als de thorax.

 

Het achterlijf bevat de belangrijkste organen, zoals ademhalingsapparaat, het spijsverteringsstelsel en de geslachtsorganen. De ademopeningen zijn aan de zijkanten van de achterlijfssegmenten gelegen.

 

Aan het einde van het achterlijf bevinden zich de geslachtsorganen, bij de mannetjes bestaan deze uit de aedeagus en bij het vrouwtje uit de geslachtsopening. De meeste soorten wespen hebben een lange legbuis waardoor de eieren in de ondergrond -zoals een boom- of in een prooidier kunnen worden afgezet - zoals een rups.

 

De plooivleugelwespen waartoe de hoornaar behoort hebben een gespecialiseerde legbuis, die niet meer wordt gebruikt om de eieren af te zetten. De eieren komen uit het lichaam via de genitale opening waardoor de functie van de legbuis overbodig is geworden. De legbuis is omgebouwd tot een steekorgaan dat de angel wordt genoemd en alleen dient ter verdediging. De angel van de hoornaar is niet voorzien van weerhaken, zoals bij de honingbij het geval is. De angel gaat niet verloren na een steek en kan telkens opnieuw gebruikt worden. De angel is hol en aan de basis is een gifklier gelegen die bij een steek een kleine hoeveelheid gif afgeeft. Het gif is dodelijk voor andere insecten waardoor deze gemakkelijk kunnen worden buitgemaakt.

 

De hoornaar is in België en Nederland gemakkelijk te onderscheiden van verschillende andere wespen, zoals de Duitse wesp (Vespula germanica) en de gewone wesp (Vespula vulgaris). Deze soorten blijven bijna twee keer zo klein en hebben altijd zwart met gele kleuren en nooit een zwarte en roodoranje kleur. De werkster en koningin van de Duitse wesp worden respectievelijk 15 en 20 mm lang, die van de gewone wesp 14 en 19 mm.

 

De hoornaar wordt door verschillende vertegenwoordigers van andere insectengroepen geïmiteerd. Dergelijke insecten zijn zelf volkomen onschuldig maar ze worden door vijanden aangezien voor de hoornaar en profiteren hiervan omdat ze met rust worden gelaten. Een voorbeeld is de stadsreus (Volucella zonaria), een zweefvlieg die net als de hoornaar een rode kop en borststuk heeft met een gelig achterlijf dat zwarte strepen draagt.

 

Ook de eveneens weerloze hoornaarsvlinder (Sesia apiformis) lijkt op de hoornaar vanwege de bruine kleuren en de grootte van het lichaam. Deze soort behoort tot de vlinders maar lijkt uiterlijk meer op een wesp. De hoornaarsvlinder heeft grotendeels doorzichtige vleugels om de gelijkenis te versterken. De hoornaarsvlinder vertoont een vorm van mimicry, de vlinder lijkt zo sterk op de hoornaar dat andere dieren de vlinder voor de zekerheid uit de weg gaan. De vlinder is te onderscheiden aan zijn opvallende roltong en de ronde ogen.

 

In Noord-Amerika is de soort te verwarren met grotere soorten graafwespen uit de familie graafwespen (Crabronidae), zoals de soort Sphecius speciosus. Laatstgenoemde soort jaagt op cicades en leeft solitair, er is dus geen geen koningin die een nest maakt en er zijn geen werksters maar alleen mannetjes en vrouwtjes zoals bij de meeste insecten.

 

De hoornaar is een typische rover die grote hoeveelheden insecten vangt en doodt om ze vervolgens te voeren aan de larven. De hoornaars leven zelf van verschillende suikerrijke plantensappen en niet van dierlijk materiaal.

 

Hoornaars vangen in hoofdzaak andere insecten en dan voornamelijk vliegen en muggen. Daarnaast worden kleinere plooivleugelwespen, honingbijen en vlinders en de rupsen hiervan buitgemaakt. Naast insecten worden ook veel spinnen gevangen.

 

In 2001 publiceerden onderzoekers een verslag van de aanvallen van hoornaars op libellen op locaties in Wit-Rusland en Italië. Op de locatie in Wit-Rusland waren de steenrode heidelibel en de bloedrode heidelibel het slachtoffer, in Italië een soort beekjuffer, de koperen beekjuffer. Uit de waarnemingen concludeerden de onderzoekers dat hoornaars regelmatig op libellen jagen.

 

Van andere soorten hoornaars is bekend dat ze de nesten van bijen aanvallen en geheel leegroven, een voorbeeld is de Aziatische hoornaar (Vespa mandarinia). Dergelijke soorten worden als bedreiging van de honingbij gezien. Van de Europese hoornaar is dit gedrag niet bekend.

 

De werksters worden grotendeels gevoed door de larven in het eigen nest. De larven worden gevoerd met dierlijk materiaal en produceren een zoetige vloeistof die ze weer afgeven door de monddelen. Deze suikerrijke vloeistof wordt vervolgens door de werksters opgezogen. De larven moeten groeien en hebben behoefte aan proteïnen om het lichaam om te kunnen bouwen tijdens de metamorfose of het popstadium. Ze bewegen niet veel en hebben dan ook geen behoefte aan suikers. Dit in tegenstelling tot de volwassen werksters, die veel vliegen en de energierijke suikers nodig hebben als brandstof.

 

De werksters vullen hun energievoorraad daarnaast aan met verschillende plantaardige vloeistoffen die worden opgenomen door de monddelen. De hoornaar likt vaak het uittredende sap op van beschadigde bomen, waarbij de bastranden open worden geknaagd met de kaken. Voornamelijk de eik wordt door de wesp gebruikt als leverancier van suikerrijke sappen. Daarnaast worden de takken van de planten es (Fraxinus excelsior) en sering (Syringa vulgaris) wel open geknaagd om een sapstroom op gang te brengen. Tenslotte worden ook sappen uit afgevallen, rijp fruit opgenomen.

 

Er zijn maar weinig gevallen bekend waarbij nectar uit een bloem wordt opgezogen zoals van honingbijen en veel andere wespen bekend is. Een plant waarbij een dergelijke waarneming wel bekend is, is Hedera. De hoornaar zuigt daarnaast de zoete afscheiding van bladluizen op die voorkomen op de boswilg (Salix caprea)

 

De meeste bijen en wespen houden niet van nat weer of van wind en blijven dan in het nest. De hoornaar is zelfs dan actief op zoek naar prooien voor de larven. De hoornaar vliegt zelfs 's nachts, wat zeer ongebruikelijk is voor wespen. De wesp wordt aangetrokken door kunstlicht af en komt dan af op menselijke bebouwing. De hoornaar is in staat om bij maanlicht ook 's nachts te jagen en maakt dan veel nachtvlinders buit. De hoornaar is een effectieve insectenbestrijder doordat ze grotere prooien aankan dan de andere wespen, ook grote insecten als libellen worden gedood en in stukjes geknipt met de sterke kaken.

 

De hoornaar heeft een kenmerkende manier van eten, de wesp hangt dan ondersteboven aan een tak waarbij het dier slechts een enkele poot gebruikt om zich te ankeren. De overige poten worden gebruikt om de prooi vast te houden terwijl deze door de kaken aan stukjes wordt geknipt. Een prooidier wordt hierbij eerst ontdaan van de vleugels, poten en kop door deze eraf te bijten, daarna wordt de rest van de prooi fijngemalen en naar het nest gebracht.

 

De volwassen hoornaar wordt door veel dieren met rust gelaten vanwege de pijnlijke steek. Er zijn enkele uitzonderingen die zich niets aantrekken van de angel en juist graag hoornaars eten. Een voorbeeld is de wespendief (Pernis apivorus), een roofvogel die in grote delen van Europa voorkomt. Van de wespendief is bekend dat alle hoornaars van een nest kunnen worden opgegeten waarbij de gehele kolonie wordt vernietigd.

 

In het nest leven verschillende insecten die tot heel verschillende groepen kunnen behoren. Het feit dat het nest van de hoornaar andere insecten aantrekt is een van de redenen dat nooit tweemaal hetzelfde nest wordt gebruikt.

 

Sommige insecten die in het nest leven zijn slechts detrituseters die de hoornaars ontdoen van hun afval, voorbeelden zijn de larven van de vlieg Fannia caniculari en van de kever het diefje (Ptinus fur). Andere insecten zijn echte rovers die jagen op het gebroed, zoals de kortschildkever Velleius dilatatus en de bonte kever Korynetes caeruleus. Tenslotte zijn er verschillende parasieten bekend die leven op de hoornaar. Een voorbeeld is de sluipwesp Sphecophaga vesparum. Deze wesp legt eitjes in de poppen waardoor zij hun levensvatbaarheid verliezen. Uit de pop komen vervolgens jonge sluipwespjes tevoorschijn in plaats van een hoornaar.

 

De hoornaar is een eusociale wesp, dit betekent dat de wespen in een kolonie wonen met verschillende generaties waarbij zich broedzorg voordoet. Het aantal hoornaars binnen een kolonie is relatief klein in vergelijking met de bekendere soorten eusociale insecten. Er komen meestal enkele honderden exemplaren voor per nest, maar nooit meer dan 1000 exemplaren. Bij de verwante gewone wesp zijn nesten van 7000 individuen niet zeldzaam.

 

Hoornaars overleven de winter niet, ze leven net als andere wespensoorten slechts één seizoen. Alleen de koningin die aan het eind van het seizoen werd geboren, overwintert om het volgende jaar een nieuw nest te maken. Zij komt rond eind april tevoorschijn uit haar winterslaap.

 

De koningin bouwt het nest begin mei vaak in de buurt van het winterkwartier. Ze bouwt altijd een nieuw nest en gebruikt nooit een oud nest. Dit basisnest is bolvormig en bevat nog een enkele raat die erg klein is en slechts enige tientallen cellen bevat.

 

De koningin is in het voorgaande jaar bevrucht door een mannetje en kan dus eitjes afzetten, ze zet het eerste eitje af rond medio mei. De eitjes zijn enkele millimeters lang, ze zijn klein en wit van kleur en langwerpig van vorm. De eitjes komen eind mei uit waarbij de larven verschijnen die worden verzorgd door de koningin. Begin juni zijn de larven volledig ontwikkeld waarna ze hun cel aan de bovenzijde dichtspinnen en zich verpoppen. Omstreeks eind juni verschijnen de eerste werksters die vervolgens alle taken van de koningin overnemen, behalve het leggen van de eieren. Het takenpakket van de werksters omvat verder het uitbouwen van het nest, het verzorgen van de eitjes en de larven en het verjagen van indringers. Pas als de eerste groep werksters is verschenen, wordt begonnen aan de bouw van het echte nest.

 

Het uiteindelijke nest wordt gebouwd vanaf mei en wordt meestal op enige hoogte geconstrueerd. De nestlocatie is vaak donker en enigszins afgeschermd. Meestal wordt het nest gemaakt in een holle boom, maar soms worden graspollen als nestlocatie gebruikt en ook ondergrondse nesten zijn bekend. Ook is bekend dat de hoornaar zijn nest maakt in holtes in het nest van de gele weidemier (Lasius flavus). Als de ruimte om een nest te bouwen te klein wordt, verlaten de wespen het oude nest en wordt een nieuw nest gebouwd.

 

Ook menselijke constructies kunnen worden gebruikt om een nest te maken, zoals nestkastjes van vogels, in tuinhuisjes en schuurtjes, onder daken, in huizen of vrij hangend in een boom of struik in de tuin.

 

Het nest wordt gemaakt van cellulosevezels die van dode bomen worden afgeknaagd. Er worden hiervoor altijd loofbomen gebruikt. De wesp knaagt ook wel houtvezels van tuinornamenten zoals rietmatten en aangetast hout.

 

Het nest telt uiteindelijk ongeveer 1500 cellen en is opgebouwd uit vijf horizontale lagen. Het geheel wordt aan de buitenzijde voorzien van een bolvormig omhulsel zodat de cellen niet zichtbaar zijn. De nestopening is aan de onderzijde gepositioneerd. Hierdoor kunnen de wespen naar binnen en naar buiten vliegen en ook het nestafval wordt hierdoor naar buiten gegooid.

 

Eind augustus begint de koningin met het afzetten van eitjes waaruit geen onvruchtbare werksters meer kruipen, maar vruchtbare mannetjes en jonge koninginnen. De mannetjes worden hierbij het eerst geboren en door de werksters opgekweekt, pas later verschijnen de jonge koninginnen.

 

De koninginnen zullen later uitvliegen en paren met de mannetjes. Hierdoor worden de nieuwe koninginnen bevrucht Ze zetten nog geen eitjes af maar slaan het sperma op in hun lichaam. De mannetjes sterven kort na de paring. De jonge koninginnen vliegen uit en verspreiden zich, ze zoeken vervolgens een schuilplaats om te overwinteren. Ondertussen wordt de 'oude' koninginnen steeds meer genegeerd door de werksters en uiteindelijk sterven zij. De laatste werksters houden het uit tot eind oktober of begin november, een nachtvorst is vaak fataal voor de laatste werksters van de kolonie. In de lente verlaat de jonge koningin haar schuilplaats en begint de cyclus opnieuw.

 

De hoornaar is gevoelig voor kou in de lente. Als de temperaturen relatief laag zijn komen er veel minder nesten tot ontwikkeling dan bij hogere temperaturen.

 

Hoornaars komen al voor in de bijbel, ze verschijnen in het boek Exodus 23:28, Deuteronomium 7:20 en Jozua 24:12 door de Here gebruikt om vijanden van de Israëlieten te verdrijven. Volgens Jeremia 46:20 worden hoornaars door Egypte aangetrokken.

 

Hoornaars hebben een onverdiend slechte naam als het gaat om hun agressiviteit. Hoornaars zijn juist minder agressief dan de andere bekende plooivleugelwespen zoals de gewone wesp en de Duitse wesp. De hoornaar zoekt de mens ook zelden op, in tegenstelling tot eerder genoemde wespen die ook wel 'limonadewespen' worden genoemd omdat ze afkomen op zoetigheden zoals frisdrank. De hoornaar wordt in de regel alleen agressief binnen een straal van vijf meter van het nest. Als men deze veiligheidsafstand aanhoudt hoeft een nest in de buurt van verhoogde menselijke activiteiten geen problemen op te leveren, zelfs niet in de buurt van bijvoorbeeld een kleuterschool. Als men het nest benadert, komen de werksters luid brommend aanvliegen wat een afschrikwekkend effect heeft. Het handhaven van een nest van de hoornaar in de omgeving heeft als voordeel dat men minder last heeft van andere insecten zoals andere soorten wespen en verschillende soorten vliegen. Indien een nest op een lastig te negeren plaats wordt gemaakt, zoals naast de voordeur van een gebouw, kan het nest beter verwijderd worden. Hiervoor kan men een imker inschakelen om het nest te verwijderen.

 

De steek van de hoornaar is pijnlijker dan die van een gewone plooivleugelwesp of een honingbij. De hoornaar steekt minder snel - al kan de hoornaar wel erg weerbaar zijn als het erop aankomt een nest te verdedigen. In de volksmond doen fabels de ronde dat een paar steken al voldoende zouden zijn een mens of een paard te doden. Dit is onwaar, tenzij de persoon in kwestie toevallig allergisch is voor het gif dat wordt afgegeven. In de wetenschappelijke literatuur is één geval beschreven van een fatale afloop na meerdere steken van Vespa crabro.

 

Het gif van de hoornaar is zwakker dan dat van bijen. Hoornaargif dient voornamelijk om ongewervelden te doden, en secundair om het nest te beschermen. Honingbijen hebben een nest waarin een honingvoorraad is opgeslagen, en moeten dat verdedigen tegen dieren zoals dassen, en beren. Het werkt daardoor krachtiger op zoogdieren dan wespengif, die deze natuurlijke vijanden niet hebben.

 

De LD50 van bijengif op ratten is ongeveer 6 milligram per kilo lichaamsgewicht, dat van de hoornaar varieert van 10 tot 90 milligram. De kans op een gevaarlijke allergische reactie lijkt bij de hoornaar overigens wat groter dan bij andere wespen. Het gif is vergelijkbaar met dat van andere wespen (en bijen), maar het bevat een hogere concentratie van de neurotransmitter acetylcholine, waardoor de steek erg branderig aanvoelt. Desensibilisatiekuren met gewoon wespengif zijn ook effectief tegen hoornaargif. Net als bij gewone wespen zijn voor een gezond persoon circa 500-1000 steken nodig om tot een dodelijke dosis te komen. Aangezien nesten nooit meer dan 1000 exemplaren tellen en slechts één op de tien exemplaren uit het nest zullen aanvallen om te steken is de kans op een dodelijke afloop vrijwel uitgesloten.

 

In augustus 2009 zouden volgens onbevestigde berichten in de populaire pers twee mensen in Kroatië door steken van hoornaars zijn overleden; in beide gevallen ging het om mensen die bomen aan het kappen waren. In België kwam in 2011 een bejaarde man om na gestoken te zijn door hoornaars. In 2013 overleed een Nederlandse man in Frankrijk door een hoornaarsteek.

 

Om een steek van de hoornaar te voorkomen moet men voorkomen in de buurt van het nest te komen, ook dient de aanvliegroute te worden vermeden. Het ademen in de richting van het nest alarmeert de wespen, evenals onverwachte bewegingen en het veroorzaken van trillingen. Na een steek biedt het koelen van de huid enige verzachting. Als de huid rond de steek sterk begint te zwellen dient men een arts raad te plegen.

 

De hoornaar behoort tot de insectenorde vliesvleugeligen (Hymenoptera) en de familie plooivleugelwespen (Vespidae). De meeste soorten uit deze familie behoorden ooit tot het geslacht Vespa, zodat het geslacht gezien werd als de 'typische' wespen. Tegenwoordig behoren de meeste soorten tot andere geslachten, zoals Vespula en Dolichovespula.

  

Title: Abhandlungen herausgegeben vom Naturwissenschaftlichen Verein zu Bremen

Identifier: abhandlungenhera17natu

Year: 1866- (1860s)

Authors: Naturwissenschaftlicher Verein zu Bremen

Subjects: Natural history; Natural history -- Germany

Publisher: Bremen : Im Selbstverlag des Naturwissenschaftlichen Vereins

Contributing Library: The LuEsther T Mertz Library, the New York Botanical Garden

Digitizing Sponsor: The LuEsther T Mertz Library, the New York Botanical Garden

  

View Book Page: Book Viewer

About This Book: Catalog Entry

View All Images: All Images From Book

 

Click here to view book online to see this illustration in context in a browseable online version of this book.

  

Text Appearing Before Image:

39 kompliziert gebaute Setae sensuales. Antennen 4—6 gliederig, dünn, langgestreckt, meist länger als der Kopf, oft länger als der ganze Körper, stets deutlich segmentiert, manchmal sekundär geringelt. Antennal- organe fehlen bis auf wenige Reste (Uzelia, Anurophoi-us, Isotoma) ganz. Postantennalorgan äusserlich nur bei den Isotomini zu erkennen, als eine von einer Chitinleiste umgrenzte Sinnesgrube erscheinend. Augen (Ommatidien) meistvorhanden. Mundwerkzeuge beissend. Tibien ein-, selten zweiteilig, mit oder ohne Tasthaare. Tarsen mit 1—2 Klauen. Furca an Abdomen IV—V oder fehlend, oft sehr kräftig entwickelt; Dentes ein-, selten zweiteilig. Meist eine, bisweilen tiefe, Ventralrinne ausgebildet, die zur Aufnahme der Furca während der Ruhe dient. Abdomen VI ohne, sehr selten noch mit Analdornen (Uzelia Absolon.) Die letzten Reste typischer Cerci finden sich in der Gattung Tomocerus. Pigment meist kräftig entwickelt, sehr ver- schiedenfarbig, mannigfache Färbungen und Zeichnungen hervorrufend. Zum Verständnis der Verwandtschaft der einzelnen Gruppen, insbesondere der Isotomini, Tomocerini und Entomobryini, ist der Bau der oberen Klaue besonders wichtig. Wie ich bereits in meiner zweiten vorläufigen Mitteilung (8) auseinandergesetzt habe, sind die Isotomini und Tomocerini die Vertreter des einfachsten Typus; bei ihnen ist die obere Klaue ein im Querschnitt dreikantiges Gebilde mit einfacher, d. h. ungespaltener Innenkante, auf der vor- resp. hintereinander, niemals neben einander inserierte Zähne stehen können. V. Willem (33) giebt für Tomocerus in seiner kürzlich erschienenen Monographie an, dass die Innenkante mit Doppelzähnen bewaffnet sei, etwa so, wie ich es für die Proximalzähne der Innenkante der Entomobryini beschrieben habe. Er stellt seine Beschreibung der alten von Tullberg gegenüber und erklärt die letztere für falsch. Nachdem ich daraufhin abermals diese Verhältnisse untersucht habe, kann ich nur meine eigenen früheren Angaben bestätigen, die vollkommen in Übereinstimmung mit denen

 

Text Appearing After Image:

Fig. 15. Fig. 16. Klauen von Tomocerus plumbeus Lubb. Klauen von Orchesella rufescens Lubb. U obere, uc untere Klaue, Bezeichnung wie in Fig. 15. J Innenkante der oberen Klaue, jjer proximale Innenzahn ist doppelt. P proximaler Innenzahn, pqq L Lateralzahn (— Pseudonychium). x 500.

  

Note About Images

Please note that these images are extracted from scanned page images that may have been digitally enhanced for readability - coloration and appearance of these illustrations may not perfectly resemble the original work.

Flower chafers are a group of scarab beetles, comprising the subfamily Cetoniinae. Many species are diurnal and visit flowers for pollen and nectar, or to browse on the petals. Some species also feed on fruit. The group is also called fruit and flower chafers, flower beetles and flower scarabs. There are around 4,000 species, many of them still undescribed.

 

OVERVIEW

By morphological characters, the adults can be separated from the other scarabs by the combination of the following characters: epipleuron easily recognizable, border lateral of elytra sinuate and antennal insertion visible from above. Twelve tribes are presently recognized: Cetoniini, Cremastocheilini, Diplognathini, Goliathini, Gymnetini, Phaedimini, Schizorhinini, Stenotarsiini, Taenioderini, Trichiini, Valgini, and Xiphoscelidini. The tribe Gymnetini is the biggest of the American tribes, and Goliathini contains the largest species, and is mainly found in the rainforest regions of Africa.

 

BIOLOGY

Many species in the tribe Cremastocheilini are known to be predaceous, feeding on hymenopteran larvae or soft-bodied nymphs of Auchenorrhyncha. Spilophorus spp. have been noted feeding on the nesting material and excrement of South African passerine birds, while Spilophorus maculatus has been recorded feeding on Oxyrhachis sp. nymphs and Hoplostomus fuligineus is known to feed on the brood of honey bees in South Africa and the pupae of the wasp Belonogaster petiolata. Campsiura javanica feeds on the larvae of Ropalidia montana in southern India. Cremastocheilus stathamae feeds on ants of the genus Myrmecocystus.

_____________________________________

 

ROSENKÄFER

Die Rosenkäfer (Cetoniinae) sind eine Unterfamilie der Blatthornkäfer (Scarabaeidae). Die Unterfamilie ist weltweit verbreitet, hat ihren Verbreitungsschwerpunkt jedoch in den Tropen. Es sind etwa 3000 Arten in ungefähr 400 Gattungen bekannt. Die Taxonomie der Gruppe wird kontrovers betrachtet. Sie wird von manchen Autoren als eigenständige Familie innerhalb der Scarabaeoidea betrachtet, Beutel & Leschen (2005) folgen dieser Auffassung jedoch nicht, sondern stellen sie als Unterfamilie zu den Blatthornkäfern. Bei vielen Arten sind die Imagines lebhaft und/oder metallisch glänzend gefärbt. Sie können, ungewöhnlich für Käfer, ihr zweites Flügelpaar zum Fliegen durch eine Wölbung unter den geschlossenen Deckflügeln entfalten. Die Imagines ernähren sich von austretenden Flüssigkeiten, wie etwa von Pflanzensaft an Wunden von Bäumen. Die Larven entwickeln sich in Detritus und haben die für die Überfamilie typische Gestalt von Engerlingen.

 

MERKMALE

KÄFER

Zu den Rosenkäfern zählen beispielsweise mit den Goliathkäfern (Goliathus) die größten, aber auch farbenprächtigsten Arten der Scarabaeoidea. Sie haben eine Körperlänge von 8 bis 110 Millimeter und haben eine leicht bis stark abgeflachte Körperform. Sie sind von matten Braun- und Schwarztönen bis lebhaft, glänzend, häufig mit metallischen oder emailartigen Farben in komplizierten Mustern gefärbt. Die Facettenaugen sind durch einen langen, schmalen Canthus getrennt. Die Ommatidien sind voll entwickelt (eucon). Von oben betrachtet kann man die Fühlereinlenkungen an der Seite der Stirnplatte (Clypeus) erkennen. Die Fühler sind zehngliedrig und haben eine dreigliedrige Fühlerkeule, die einen spezialisierten Sinnesapparat trägt. Die Mandibeln sind schlecht entwickelt und von der Stirnplatte verdeckt. Die Deckflügel (Elytren) sind post-humeral deutlich eingebuchtet. Das Mesepimeron ist hervortretend und ist in der Regel von oben betrachtet an der Basis der Deckflügel zu erkennen. Die Stigmen am Mesothorax sind modifiziert, die Intersegmentalia sind stark zurückgebildet. Die Hüften (Coxen) der Vorderbeine stehen kegelförmig nach unten. Ein Empodium ist vorhanden. Der Apex der Schienen (Tibien) der mittleren Beine trägt zwei, aneinander angrenzende Sporne, die nur durch das basale Segment der Metatarsen getrennt werden. Die Tarsalklauen sind einfach und unterschiedlich groß. Die Lage der Stigmen am Hinterleib variiert, am ersten bis siebten Hinterleibssegment sind sie funktional. Das Pygidium liegt frei. Das Propygidium ist in der Regel mit dem fünften sichtbaren Sternit starr verbunden.

 

LARVEN

Die Galea und Lacinia sind zur Mala verwachsen. Die Mandibeln haben ventral einen Stridulationsbereich. Die Körperform der Larven ist in der Regel C-förmig, lediglich wenn sie sich bei Störung am Rücken fortbewegen sind sie gerade ausgestreckt. Bei einigen Gattungen sind Punktaugen (Ocelli) ausgebildet. Die Tormae des Epipharynx sind nicht verwachsen und asymmetrisch.

 

LEBENSWEISE

Die Imagines ernähren sich nahezu ausschließlich durch das Lecken an Flüssigkeiten, wie etwa an Wunden von Bäumen oder an Früchten und Nektar. Einige Arten betätigen sich aber auch durch Abweiden zarter Blütenteile (Staubgefäße) als "Blütenzerstörer". Es gibt jedoch innerhalb der Cremastocheilini Arten, die die Brut und Nahrungsvorräte von Sozialen Insekten fressen. Es wurde eine Reihe von Arten in Dung und auch in Termitennestern nachgewiesen. Die meisten Arten sind tagaktiv. Einzigartig ist der Flug der adulten Käfer, während dem die Deckflügel nicht geöffnet werden, sondern das zweite, darunter liegende Flügelpaar (Alae) durch eine Aussparung hinter der "Schulter" entfaltet wird.

 

Die Larven leben in der Regel frei in Detritus oder Mulm und in durch pilzlichen Abbau mürber und eiweißreicher gewordenem Holz. Es gibt jedoch einige Arten, die sich dabei spezialisiert haben. So fressen sie den Detritus in Ameisenbauten oder Nestern von Greifvögeln. - Wenn man die Larven stört, rollen sie sich auf den Rücken und bewegen sich in wurmähnlich-pulsierenden Bewegungen. Steife Dorsalborsten geben ihnen bei ihrer Bewegung Halt.

 

TAXONOMIE UND SYSTEMATIK

Die Rosenkäfer werden von manchen Autoren als eigenständige Familie innerhalb der Scarabaeoidea betrachtet, Beutel & Leschen (2005) gehen vom Rang einer Unterfamilie aus, die nicht die Valginae umfasst, die als eine eigenständige Unterfamilie innerhalb der Blatthornkäfer (Scarabaeidae) betrachtet wird. Dort gehört sie zur Klade der Phytophagen. Die Verwandtschaftsverhältnisse innerhalb der Rosenkäfer sind noch unklar und umstritten. So ist etwa die Stellung der Valginae und der Trichiinae entweder als eigenständige Unterfamilien oder Tribus innerhalb der Rosenkäfer unklar.

 

Die Rosenkäfer werden nach dieser Ansicht, die sich mit Ausnahme der Rangstufen der Untertaxa im Wesentlichen nach einer Klassifikation von Krikken aus dem Jahr 1984 richtet, in zwei Tribus mit insgesamt 15 Subtribus unterteilt:

 

Tribus Trichiini

Subtribus Cryptodontina (2 Gattungen; Afrotropis)

Subtribus Incaina (3 Gattungen; Neotropis)

Subtribus Osmodermina (1 Gattung Holarktis, 1 Gattung Orientalis)

Subtribus Platygeniina (1 Gattung; Afrotropis)

Subtribus Trichiina (mehr als 30 Gattungen; Neue Welt, Afrotropis, Orientalis)

Tribus Cetoniini

Subtribus Cremastocheilina (etwa 50 Gattungen; hauptsächlich Afrotropis, aber auch Nearktis und Neotropis)

Subtribus Xiphoscelidina (etwa 15 Gattungen; fast ausschließlich Afrotropis)

Subtribus Stenotarsiina (etwa 50 Gattungen; Madagaskar)

Subtribus Schizorhinina (mehr als 40 Gattungen; fast ausschließlich Australien und Tasmanien, aber auch Orientalis)

Subtribus Goliathina (etwa 80 Gattungen; Afrotropis, Orientalis, Nearktis)

Subtribus Cetoniina (vor allem Orientalis und Afrotropis, aber auch Paläarktis und Nearktis)

Subtribus Gymnetina (etwa 30 Gattungen; vor allem Neotropis)

Subtribus Diplognathina (etwa 20 Gattungen; vor allem Afrotropis)

Subtribus Phaedimina (5 Gattungen; Orientalis)

Subtribus Taenioderina (mehr als 30 Gattungen; Orientalis)

 

ARTEN (AUSWAHL)

EUROPÄISCHE ARTEN

 

Goldglänzender Rosenkäfer (Cetonia aurata)

Trauerrosenkäfer (Oxythyrea funesta)

Großer Rosenkäfer (Protaetia aeruginosa)

Ähnlicher Rosenkäfer (Protaetia affinis)

Kupfer-Rosenkäfer (Protaetia cuprea)

Bronzegrüner Rosenkäfer (Protaetia lugubris)

Eremit oder Juchtenkäfer (Osmoderma eremita)

Grüner Edelscharrkäfer (Gnorimus nobilis)

Veränderlicher Edelscharrkäfer (Gnorimus variabilis)

Gebänderter Pinselkäfer (Trichius fasciatus)

Stolperkäfer (Valgus hemipterus)

 

AUSSEREUROPÄISCHE ARTEN (AUSWAHL)

Mecynorhina torquata ugandensis

Goliathkäfer (Goliathus spp.)

Südafrikanischer Fruchtkäfer (Pachnoda sinuata)

Brauner Rosenkäfer (Eudicella smithi)

 

WIKIPEDIA

Title: Einführung in die Kenntnis der Insekten

Identifier: einfhrungindie00kolb

Year: [1889]-1893 ([180s)

Authors: Kolbe, Hermann Julius

Subjects: Entomology

Publisher: Berlin, Dümmler

Contributing Library: Smithsonian Libraries

Digitizing Sponsor: Smithsonian Libraries

  

View Book Page: Book Viewer

About This Book: Catalog Entry

View All Images: All Images From Book

 

Click here to view book online to see this illustration in context in a browseable online version of this book.

  

Text Appearing Before Image:

Die Anatomie des Insektenauges. 459 glashelle äussere Zone, aus der Pigmentscliicht mit den Krystallkegeln die äussere dunkle Zone, und aus der Schicht der Eetinulae der innere dunkelgraue Streifen im Durchschnitt des zusammengesetzten Auges. Die vei-mittelst der ehen genannten Augenglieder das Sehen zum Bewusstsein seines Besitzers bringenden Nervenbündeln (nbs) schliessen sich im Grunde des Auges an die Retinulae (rt) an (Fig. 278). Das gi-osse mehr oder weniger kugelig gewölbte Augenganglion (ganglion opti- 12 3 4- cum) (go) ist die Basis der Nei-venbündel. Diese werden von Luftröhrenzweigen (tr) begleitet und durchsetzt und bilden vor ihrem Uebergange in die Stäbchenschicht gangliöse Anschwellungen (die periopti- schen Ganglien). Die hauptsächlichen elementaren Bestandteile des Insektenauges, nämlich p die Krystallkegel, die Sehstäbchen (re- tinulae) und die Pigmentzellen, lassen sich auf die gewöhnlichen Hautzellen (Hypodermiszellen) zurückführen. Gre- n ach er hat den continuirlichen Ueber- gang der H3rpodermiszellen (Fig. 15, S. 18) in die zelligen Elemente der Einzelaugen bei jungen Larven eines Schwimmkäfers (Dytiscus) nachgewiesen. P— Die Hornhaut (comea) und die Cornea- linsen oder Hornhautcylinder. Schon äusserlich ist die Hornhaut der gi'ossen Seitenaugen in zahlreiche Fazetten eingeteilt (S. 149). Jeder Fazette entspricht eine Comealinse. Die Comealinse (Fig. 279 c) ist ein gewöhnlich biconvex verdicktes Stück der glashellen Hornhaut, welche aus der allgemeinen Köi-perhaut (Cuticula) hei-vorgegangen ist. Jeder Linse entspricht ein Spezialauge. Die Comealinse ist das lichtbrechende Organ, ihre gi-össere oder ge- ringere Convexität, die bei den verschiedenen Lisekten verschieden ist, muss in Beziehung zu der Sehweite stehen. Bei den in der fi-eien Natur lebenden Lisekten, z. B. Äcridium, Mantis, Cicindela, ist die Comealinse sehr schwach gewölbt bis flach. Bei Staubläusen (Atropos) ist ihre Wölbung ziemlich stark, was wahrscheinlich mit ihrer Lebensweise an dunklen Orten zusammenhängt. Die Fazetten, welche durch die Oberfläche der Comealinse und deren TJmgrenzungslinie gebildet werden, sind gewöhnlich sechseckig.

 

Text Appearing After Image:

Fig. 279. Drei Ommatidien aus einem zu- sammengesetzten Auge des Mai- käfers (Mdolonthn); zwei sind vom Pigment entblösst. Nach Grenacher durch Claus, c, Cornea; k, Krystallkegel; P, Pigmentscheide; pg, Pig- mentzellen; rt, Retinulae.

  

Note About Images

Please note that these images are extracted from scanned page images that may have been digitally enhanced for readability - coloration and appearance of these illustrations may not perfectly resemble the original work.

Title: Deutsche Südpolar-Expedition, 1901-1903, im Auftrage des Reichsamtes des Innern

Identifier: deutschesdpola10deut

Year: 1908 (1900s)

Authors: Deutsche Südpolar-Expedition (1901-1903); Drygalski, Erich von, 1865-1949

Subjects: Gauss (Ship); Scientific expeditions; Antarctica

Publisher: Berlin, G. Reimer

Contributing Library: MBLWHOI Library

Digitizing Sponsor: MBLWHOI Library

  

View Book Page: Book Viewer

About This Book: Catalog Entry

View All Images: All Images From Book

 

Click here to view book online to see this illustration in context in a browseable online version of this book.

  

Text Appearing Before Image:

schiene: unten mit ca. 9 Haaren, oben mit ca. 8 Haaren (Fig. 165a); am Ende der Hinterschiene: unten mit ca. 6, oben mit ca. 12 Haaren (Fig. 165 b). Abdomen schlank, nach vorn und hinten verschmälert, am Ende des 2. Drittels am breitesten. Längen der 9 Segmente: 1. 0.14 mm, 2. 0,16 mm, 3. 0,2 mm, 4. 0,24 mm, 5. 0,3 mm, 6. 0,29 mm, 7. 0,29 mm, 8. 0,2 mm, 9. 0,18 mm. Behaarung des ganzen Körpers ziemlich dicht und mäßig lang; einige längere Haare finden sich auf dem 3. und 4. Fühlerghed, am 7., 8. und 9. Abdominalsegment und an den Beinen, besonders auf der Außenseite. Kopf und Thorax hell rostbraun, Fühler und Labialpalpus etwas blasser, Beine hell braungelb, Abdomen sehr blaß, weißhch, 8. Segment blaß, rostbräunlich, 9. Segment hell rostbraun. Augen schwarz pigmentiert, Ommatidien gelbhch. Ei (Fig. 164) längHch oval, etwa 0,4mm lang und 0,2 mm breit. Körperlänge (bis zur Rüsselbasis) 3,5 mm Rüssellänge 0,5 mm. Fühlerlänge 1 mm. Länge des Kopfes 0,65 mm, des Prothorax 0,46 mm, des Abdomens 2 mm. Größte Ab- dominalbreite 0,85 mm. Schienenlänge Vor- derbein : 0,45 mm, Mittelbein 0,34 mm, Hinterbein 0,5 mm. Crozet-Inseln. Possession-Island. 25. Dezember 1901. 1$. Gesammelt von E. Vanhöffen. Nymphe und Larve. Schwächer behaart. Augen (Fig. P) mit schwarzen Pigment- körnern (bei der Larve kaum pigmentiert). Letztes Antennenglied ziemlich dicht und länger behaart. Scheitel hinten in etwa V3 seiner Länge unbehaart; Verhältnis des 1. bis 4. Labialpalpusgliedes etwa 1:2:4:3. Verhältnis der An- tennenglieder etwa 1 : IV2 : 1 : 2V2- Stirn-Scheitelnaht bei der Nymphe schon geradlinig quer, bei der Larve aber etwa V-artig geknickt; es zeigt dieses Stadium, wie die eigenartige Abschnürung des Scheitels ontogene- tisch aus einem normalen Scheitel entstanden ist. Tarsus der Vorderbeine mit nur einzelnen Borsten (Fig. Ota),sehr kurz und klein. Sinneskolben weniger stark gekrümmt, die 3 Dornen in der Nähe derselben bei Nymphe und Larve borstenförmig. Vorderschiene am inneren Ende mit 2 großen und 2 kleinen Dornen (Fig. 0), Haarkamm . . \ o n p.g jj Phthirocoris ant- am Ende der Oberseite mit ca. 20 Haaren. Haarkämme der Hinterschiene: arcticus Enderl. 1904. oben mit ca. 9 (Fig. R), unten mit ca. 4 Haaren (Fig. Q). Tarsen aller Nymphe. Crozet-Inseln. . ° ' ^ ^ ^' Linker Hinterfuß von oben. Beine eingliedrig. Vergr. 320 : 1. 53* Fig. Q. Phthirocoris antarcticus Enderl. 1904. Nymphe. Crozet-Inseln. Linker Hinterfuß von unten. Vergr. S20 : 1.

 

Text Appearing After Image:

  

Note About Images

Please note that these images are extracted from scanned page images that may have been digitally enhanced for readability - coloration and appearance of these illustrations may not perfectly resemble the original work.

Title: Deutsche Südpolar-Expedition, 1901-1903, im Auftrage des Reichsamtes des Innern

Identifier: deutschesdpola10deut

Year: 1908 (1900s)

Authors: Deutsche Südpolar-Expedition (1901-1903); Drygalski, Erich von, 1865-1949

Subjects: Gauss (Ship); Scientific expeditions; Antarctica

Publisher: Berlin, G. Reimer

Contributing Library: MBLWHOI Library

Digitizing Sponsor: MBLWHOI Library

  

View Book Page: Book Viewer

About This Book: Catalog Entry

View All Images: All Images From Book

 

Click here to view book online to see this illustration in context in a browseable online version of this book.

  

Text Appearing Before Image:

 

Text Appearing After Image:

nach dem Ende zugespitzt. Hypopharynx (hyp) schwach konisch, am Ende abgerundet. Labial- palpus (Textfig. H 1 u. 2) mit gedrungenem dicken 1. Glied, 2. Glied fast doppelt so lang, schlank und schwach nach dem abgestutzten Ende zugespitzt, das einen winzigen Sinneskolben trägt. Thorax oben im wesentlichen auf jedem Segment vorn und hinten mit je einer Querreihe von Borsten. 1.—3. Abdominalsegment selir kurz und breit, 4.—8. etwas länger. Außer den Seitenborsten trägt jedes der ersten 8 Tergite jederseits der Mittellinie 4 Borsten, und zwar erstens 2 seitliche kräftige neben- einander, deren innere lang und kräftig ist und beim 7. und besonders beim 8. Tergit sehr lang entwickelt ist; und zweitens 2 innere kurze Haare, die nahe der Median- linie hintereinander stehen. 9. Tergit nur mit je 2 Seiten- borsten; wenig verschmälert. Letztes Segment sehr schmal, zwischen den 2 kräftigen eingliedrigen Cercis, die am Ende jede eine sehr lange und eine äußere kurze Borste tragen. Hinterrand der Tergite mit ca. 10 langen kräftigen Borsten (in Querreihe), neben der Medianlinie 2 kurze Härchen und seitlich von diesen auf jedem Sternit 2 ebensolche Härchen. Schenkel mit einigen Haaren. Tibiotarsus mit kurzen sehr kräftigen dornartigen Borsten. Klauen relativ gedrungen, kaum halb so lang wie der Tibiotarsus. Körperfarbe hell chitingelb. Intersegmentalhäute blaß. Körperlänge 2,4 mm. Körperbreite ca. 0,4 mm. Länge des Tibiotarsus der Hinterbeine ca. 0,16 mm. Crozet-Inseln. Possession-Island. 1 Exemplar (Käferlarve Nr. 13). Von F. Richters nachträglich aus mitgebrachtem Moos ausgesucht. Fig. G. Staphyliniden- larve. Rechte Maxille von un- ten. Vergr. 160 : 1. 1—3 = Maxillarpalpus. st = Stipes. c = Cardo. Fig. H. Staphyli- nidenlarve. Hypopharynx(tiyp) und Labialpalpus (l,2).Vergr.470:l. Faiii. Pselaphidiie. Snbfani. Pselaphinae. (Pselaphinae trachyscdidae.) Tribus Euplectini. Pseudeuplectus düv. gen. Fig. 38—41. Antennen llgliedrig (Fig. 39). Labialpalpus dreigliedrig (Fig. 41), 3. Glied sehr klein, 2. etwas keulig, am Ende mit 1 langen Borste. Das 1. Glied des viergHedrigen Maxillarpalpus (Fig. 40) sehr klein, 2. und 4. lang, letzteres am Ende mit Sinneskolben (Fig. 40 sk). Seitenecken des Labrum seitlich ausgezogen und mit einigen Borsten besetzt. Kopf dreieckig, Hinterrand etwas eingedrückt. Augen sehr klein, nur aus wenigen Ommatidien bestehend. Hinter der Fühlerbasis ein Höcker. Prothorax abgestutzt herzförmig. Elytren verdecken den Vorderrand des 1. Abdominalsegmentes, Flügel fehlen. Abdomen schlank, parallelseitig, mit 5 Segmenten, die 4 ersten gleich lang, das letzte länger und dreieckig zugespitzt. Coxen kurz. Vorder- und Mittelcoxen berühren sich in der Mitte und lassen keine Sternal- fortsätze zwischen sich durchgehen (Fig. 38 coj und coa). Hintercoxen lassen einen Zwischen-

  

Note About Images

Please note that these images are extracted from scanned page images that may have been digitally enhanced for readability - coloration and appearance of these illustrations may not perfectly resemble the original work.

Title: Dictionnaire de physiologie

Identifier: dictionnairedeph09rich

Year: 1913 (1910s)

Authors: Richet, Charles Robert, 1850-1935; Langlois, Paul, 1862-; Lapicque, Louis

Subjects: Physiology

Publisher: Paris : F. Alcan

Contributing Library: MBLWHOI Library

Digitizing Sponsor: MBLWHOI Library

  

View Book Page: Book Viewer

About This Book: Catalog Entry

View All Images: All Images From Book

 

Click here to view book online to see this illustration in context in a browseable online version of this book.

  

Text Appearing Before Image:

300 INSECTES.

 

Text Appearing After Image:

'^à ^ FiG. 21. â S<-!i(5iiia il'uno roui)c transversale de 7 onimatiilios passant, au niveau do la ligne e sur la tigurc prÃ:copyright:cÃ:copyright:dente. (D'après BiÃ:registered:rlese). distance focale. Dans ce cas, le pigment est concentrÃ:copyright: en avanlcnlre les cônes cristallins; les rÃ:copyright:tinules en outre ne sont pas placÃ:copyright:es immÃ:copyright:diatement derrière les cônes et en contact direct avec eux; mais elles en sont sÃ:copyright:parÃ:copyright:es par un espace intermÃ:copyright:diaire assez grand, occupÃ:copyright: par un milieu transparent, mais non rÃ:copyright:fringent. Les ommatidies sont en cons»'-- quence d'une grande longueur. Il rÃ:copyright:sulte de ces diverses circonstances que, parmi les rayons qui Ã:copyright:manent d'un point lumineux, non seulement ceux qui tombent sur une ommatidie directement placÃ:copyright:e en face de lui (dÃ:copyright:signons-la par a', soit celle du centre dans la ligure 24), sont n'-fractÃ:copyright:s de façon à se rÃ:copyright:unir sur le rhabdùme correspondant ()' ; mais encore ceux qui tombent sur les facettes voisines de cette ommatidie {a-, a^, a*, à ', u'^, a') sont rÃ:copyright:fractÃ:copyright:s par leurs cônes, de façon à venir converger sur le même rhabdome (r*). En admettant que seules les 6 ommatidies immÃ:copyright:- diatement voisines de a* (soient a- â a'), â et il peut y en avoir bien davantage, jusqu'à une trentaine,â participent à cette con- centration df-s rayons Ã:copyright:manÃ:copyright:s du point lumineux, le rhabdome *â ' de l'ommatidie a' recevra ainsi une lumière 6 fois renforcÃ:copyright:e. 11 en sera de même pour les autres points lumineux d'un objet co'nsidÃ:copyright:rÃ:copyright:, dont les rayons iront se concentrer sur d'autres rliabdômes par l'intermÃ:copyright:diaire de plusieurs facettes et, comme les rayons ressortent du môme côtÃ:copyright: de Taxe que celui par lequel ils sont entrÃ:copyright:s et sous un angle Ã:copyright:quivalent, on aura une image droite dont chaque point rÃ:copyright:sullera de la concentration et de la superposition sur un même Ã:copyright:lÃ:copyright:ment de plusieurs faisceaux (7 dans l'exemple thÃ:copyright:orique <|ui prÃ:copyright:cède' rÃ:copyright:fractÃ:copyright:s chacun par une facette diffÃ:copyright:rente. L'image ainsi obtenue sera une image par mperpo- sition iSiipe)positionshUd) (lig. 33); c'est elle qui a Ã:copyright:tÃ:copyright: photographiÃ:copyright:e par Exner pour le Lampyre. Elle a Ã:copyright:tÃ:copyright: vue en outre chez la Cantharide, le TÃ:copyright:lÃ:copyright:phore, l'Hydrophile, les CÃ:copyright:tonides, les Papillons nocturnes. Entre ces deux types fondamentaux, il existe une quantitÃ:copyright: d'intermÃ:copyright:diaires, car les yeux composÃ:copyright:s des Arthropodes ont une structure extrêmement variable et à chaque structure correspondrait un mode de fonctionnement particulier. Les interprÃ:copyright:tations fournies par Exner se rapportent surtout aux yeux cucones, c'est-à -dire prÃ:copyright:sentant des cônes bien dilfÃ:copyright:renciÃ:copyright:s. Mais il existe aussi des Insectes qui n'cmt que des cônes purement cellulaires et non rÃ:copyright:fringents placÃ:copyright:s en arrière de leur cornÃ:copyright:es (yeux acones des Tipules, Forlicules, HÃ:copyright:miptères, divers ColÃ:copyright:optères), ou bien les cônes ne sont reprÃ:copyright:sentÃ:copyright:s (]ue par une masse liquide sÃ:copyright:crÃ:copyright:tÃ:copyright:e par les cellules cristallinieinies (yeux pseudocones des Muscides). Ce sont alors les cornÃ:copyright:es dans ces deux cas qui constituent les Ã:copyright:lÃ:copyright:ments exclusifs ou principaux de l'appareil dioptrique, et l'on obtient des images par juxtaposition. A côtÃ:copyright: du mÃ:copyright:canisme des cijlindres-lentilles, dont les Ã:copyright:tudes d'ExNER ont rÃ:copyright:vÃ:copyright:lÃ:copyright: l'importance prÃ:copyright:pondÃ:copyright:rante, il existe certainement d'autres facteurs, tels que la rÃ:copyright:flexion totale de certains rayons sur les parois du tube ommatidien, qui concourent à la concentration et au groupement des rayons lumineux sur les Ã:copyright:lÃ:copyright:ments de la rÃ:copyright:tine et qui, suivant les types dont il s'agit, prÃ:copyright:sentent une importance plus ou moins grande. Exner a constatÃ:copyright: que l'image par superposition ne se forme guère que chez les noc- turnes, c'est-à -dire chez ceux qui ont besoin d'utiliser le plus grand nombre possible de rayons lumineux. Comme la plupart des Insectes nocturnes voient aussi à la lumière, leur appareil visuel prÃ:copyright:sente une disposition remarquable tout à fait comparable à l'iris et qui leur permet d'adapter leur Åil aux diffÃ:copyright:rentes intensitÃ:copyright:s lumineuses. Le pigment qui entoure les ommatidies est en efTet partagÃ:copyright: en deux zones largement sÃ:copyright:parÃ:copyright:es l'une de l'autre, l'une entourant la partie profonde des Ã:copyright:lÃ:copyright:ments visuels ou pigment rÃ:copyright:tinien, et l'autre pÃ:copyright:riphÃ:copyright:rique occupant la rÃ:copyright:gion des cônes ainsi que celle qui vient immÃ:copyright:diate- ment au-dessous, ou pigment iridien (fig. 34). Tandis que la lumière n'a pas d'action mÃ:copyright:ca-

  

Note About Images

Please note that these images are extracted from scanned page images that may have been digitally enhanced for readability - coloration and appearance of these illustrations may not perfectly resemble the original work.

Title: Annalen des Naturhistorischen Museums in Wien

Identifier: annalendesnaturh18natu

Year: 1903 (1900s)

Authors: Naturhistorisches Museum (Austria)

Subjects: Naturhistorisches Museum (Austria); Natural history

Publisher: Wien, Naturhistorisches Museum [etc. ]

Contributing Library: MBLWHOI Library

Digitizing Sponsor: MBLWHOI Library

  

View Book Page: Book Viewer

About This Book: Catalog Entry

View All Images: All Images From Book

 

Click here to view book online to see this illustration in context in a browseable online version of this book.

  

Text Appearing Before Image:

 

Text Appearing After Image:

Fig. 1. Dentaldornen von Dicranocentrus Silvestrii, etwas schematisch. Fig. 2. Dentaldornen von Dicranocentrus gracilis, etwas schematisch. vorragend. Tarsen eingliederig, mit einer Spürborste. Proximalzahn der ventralen Lamelle der Klaue doppelt. Mediane Lamelle des Empodialanhanges nach außen ge- richtet. Mucro mit einem Apical-, einem Anteapicalzahn und einem Basaldorn. Schup- pen vorhanden, entomobryenartig. 8 + 8 Ommatidien und Stirnaugen1) vorhanden. Dicranocentrus Silvestrii nov. sp. Der Körper und Segmentierung wie bei Orchesella. Abd. IV ist iz/2—2 mal so lang wie Abd. III. Pronotum ist häutig, wenig sichtbar. Mesonotum mit vielen keuligen Borsten. Der ganze Körper ist beschuppt; die Struktur der Schuppen ist dieselbe wie bei Lepidocyrtus. Antennen sechsgliederig (Taf. II, Fig. 16), wie bei Orchesella geteilt; Ant. V und VI (bei allen meinen Exemplaren) sind deutlich geringelt. Antennalorgan V konnte ich nicht auffinden, Antennalorgan VI wie bei Orchesella. Tarsus eingliederig. l) R.Hesse: Untersuchungen über die Organe der Lichtempfindung bei niederen Thieren. VII. Von den Arthropodenaugen in Zeitschr. f. wiss. Zool. LXX, 3, 1901. Annalen des k. k. naturliistorischen Hofmuseums, Bd. XVIII, Heft 1, iao3. 8

  

Note About Images

Please note that these images are extracted from scanned page images that may have been digitally enhanced for readability - coloration and appearance of these illustrations may not perfectly resemble the original work.

Title: Arkiv för zoologi

Identifier: arkivfrzoologi05kung

Year: 1909 (1900s)

Authors: Kungl. Svenska vetenskapsakademien

Subjects: Zoology

Publisher: Stockholm : P. A. Norstedt & soner

Contributing Library: MBLWHOI Library

Digitizing Sponsor: MBLWHOI Library

  

View Book Page: Book Viewer

About This Book: Catalog Entry

View All Images: All Images From Book

 

Click here to view book online to see this illustration in context in a browseable online version of this book.

  

Text Appearing Before Image:

92 ARKIV FÖR ZOOLOGI. BAND 5. NIO 14. f. minima Diese Form scheint sich von der f. maxima besonders durch die Grösse, die charakteristische Form der Pterostigma und den Bau der Antennen zu unterscheiden. Die Pterostigma ist ungewöhnlich stark ausgezogen, so dass die sichelförmige schmale Spitze fast iiber die Spitze des Sector radii hinans- reicht. Die Antennen haben das dritte und vierte Glied bis- weilen zusammengewachsen. Das dritte Glied ist mit ca. 9, das vierte vind fiinfte mit 4—5 sekundären Rinarien versehen. Körperlänge ca. TI mm. Länge des Kopfes + des Thorax ca. O"38 mm. Totallänge der An- tennen O'43—0*58 mm: Länge des Gliedes III ca. 016, IV 009, V 0135, VI 0152 mm. Länge des Vorderfliigels 1*6—2*1 mm, die des Hinterfliigels LO8—1*6 mm.

 

Text Appearing After Image:

Fig. 40. Prociphilus xylostei DG. Antennen von a ef, b 9- Sexuales. Femina. Farbe rotgelb. Hin- terleib dunkler durch das Ei, das durch die Haut sichtbar ist. Wachs- driisen fehlen. Mundteile vollkom- men reduziert. Die Augen scheinen aus nur drei Ommatidien zu be- stehen. Die Antennen sind 5-gliedrig, reichen kaum iiber das zweite Hiift- paar hinaus. Die vier ersten Glieder sind fast gleich läng, ungefähr so läng wie breit. Das fiinfte Glied ist ca. 2-mal so läng wie das vierte, ein wenig hinter der Mitte zu einem Processus terminalis zusammengezogen. Die Glieder IV und V mit je einem permanenten Rinarium versehen. Das Integument der Glieder ist glatt, ohne Körnchenreihen, aber mit einzelnen sehr kurzen und feinen Härchen besetzt. Am Ende des fiinften Gliedes sitzen einige geraden Borsten. Die Beine sind sehr kurz, sie sind äusserst spärlich mit kurzen, feinen Haaren besetzt. Die Tarsen sind 2-gliedrig.

  

Note About Images

Please note that these images are extracted from scanned page images that may have been digitally enhanced for readability - coloration and appearance of these illustrations may not perfectly resemble the original work.

Title: Denkschriften - Österreichische Akademie der Wissenschaften

Identifier: denkschriftens911915akad

Year: 1850 (1850s)

Authors: Akademie der Wissenschaften in Wien. Mathematisch-Naturwissenschaftliche Klasse

Subjects:

Publisher: Wien, New York, Springer

Contributing Library: Smithsonian Libraries

Digitizing Sponsor: Biodiversity Heritage Library

  

View Book Page: Book Viewer

About This Book: Catalog Entry

View All Images: All Images From Book

 

Click here to view book online to see this illustration in context in a browseable online version of this book.

  

Text Appearing Before Image:

 

Text Appearing After Image:

Fig. 1. Ommatidien aus einem Lichtauge, Fig. 2. dieselben aus einem Dunkelauge von Palaemon squilla (nach Trojan). CoL = Corneafazette. CoC= Corneazelle. CoCJV= Kern der Corneazelle. CrC= Kry.stallzelle. CrCN= Kern der Krystallzelle. L = Leibeshöhlenflüssigkeit. Cr = Krystallkegel. PCS = Figmentfrcicr Raum der Pigmcnl- zelle. TN'= Kern der Tapetumzelle. PCE = Irispigmentzelle. PCN= Kern der Pigmcntzelle. CrCP= Stiel der Krystallzelle. 7?CiV= Kern der Rctinulazclle. RC:^ Retinulazelle. RCR = Rudimentäre Retinulazelle. RCRN=^ Kern der rudimentären Retinula- zelle, FC/= Proximales Pigment. B — Rhnbdom. NF = Nervenfibrillenbündel. T= Tapetumzelle. k = Basalmembran. r= Blutgefäß. N= Nervenfaser.

  

Note About Images

Please note that these images are extracted from scanned page images that may have been digitally enhanced for readability - coloration and appearance of these illustrations may not perfectly resemble the original work.

Title: Arkiv för zoologi

Identifier: arkivfrzoologi05kung

Year: 1909 (1900s)

Authors: Kungl. Svenska vetenskapsakademien

Subjects: Zoology

Publisher: Stockholm : P. A. Norstedt & soner

Contributing Library: MBLWHOI Library

Digitizing Sponsor: MBLWHOI Library

  

View Book Page: Book Viewer

About This Book: Catalog Entry

View All Images: All Images From Book

 

Click here to view book online to see this illustration in context in a browseable online version of this book.

  

Text Appearing Before Image:

166 ARKIV FÖR ZOOLOGI. BAND 5. NIO 14. Die Fl lig el. Die Pterostigma läng ausgezogen, zugespitzt. Der Sector radii sehr schwach gekriimmt, dann gerade. Die Media I im proximalen Drittel verwischt, im distalen ge- gabelt. Die Media IT und der Cubitus an der Basis getrennt. Die Media I und II der Hinterfliigel stark getrennt, vor der Mitte der Radialrippe ansetzend. Hafthaken 3—5. Riickenröhren vorhanden, aber zu Poren reduziert. Die Beine läng. Die Tibien III ca. 32-mal so läng wie am dis t alen Ende breit und ca. 6-mal so läng wie der Tarsus. Die I Behaarung ist ziemlich reichlich und läng. Stiftreihen wenigstens an den Tar sen vorhanden. Masse. Länge ca. 2*37, Breite ca. O'85 mm. — Total- länge der Antennen 1'5 mm; Länge des Gliedes III O'93, IV 0-171, V 0133, VI 0142 mm. — Länge des Riissels ca. 057 mm; die des Vorderfliigels ca. 4, die des Hinterfliigels ca. 2*5 mm. — Länge der Tibia I 095, II 095, III 123 mm; die des Tarsus I O-19, II O'19, III O'209 mm. Sexuparalarve (3? Stadium). Die Wachsdriisenplatten sind hier sehr deutlich aus- gebildet und haben ein Aussehen, das an eine Tetraneura er- innert. Sie bestehen aus einer Zahl ringförmig geordneter Facetten, die eine grössere runde Facette um- schliessen. Wachsdriisenplatten kom- men am Kopfe undan den Seiten des Körpers ver. Am Kopfe sind 4, vielleicht 6. Riickenporen vorhanden. Die Antennen sind kurz. Das Fig. 80. Schizoneura ulmi L. dritte Glied ist kiirzer als die drei fol- Sexuparalarve. Marginale genden zusammen. Das vierte Glied Wachsdriisenplatte des r , i / i .. i t <» i i Abdomens. ist ca. 74 kurzer als die lolgenden, fast gleichlange Glieder, die mit je einem Rinarium versehen sind. Behaarung spärlich aber läng. Augen werden aus drei grossen Ommatidien und zahlreichen Nymphenommen gebildet. Masse. Körperlänge ca. 19 mm. Totallänge der Anten- nen 0-47 mm; Länge des Gliedes III O* 152, IV 0057, V0076, VI 0076 mm.

 

Text Appearing After Image:

  

Note About Images

Please note that these images are extracted from scanned page images that may have been digitally enhanced for readability - coloration and appearance of these illustrations may not perfectly resemble the original work.

Identifier: sitzungsberichte1910gese

Title: Sitzungsberichte der Gesellschaft Naturforschender Freunde zu Berlin

Year: 1839 (1830s)

Authors: Gesellschaft Naturforschender Freunde zu Berlin

Subjects: Natural history Natural history

Publisher: [Berlin : R. Friedländer und Sohn]

Contributing Library: Harvard University, Museum of Comparative Zoology, Ernst Mayr Library

Digitizing Sponsor: Harvard University, Museum of Comparative Zoology, Ernst Mayr Library

  

View Book Page: Book Viewer

About This Book: Catalog Entry

View All Images: All Images From Book

 

Click here to view book online to see this illustration in context in a browseable online version of this book.

  

Text Appearing Before Image:

0,06 mm Paraguay. San Bernardino. Juli 1907. 1 $ hinter Rinde.Gesammelt von K. Fiebrig. Trigonoscelisciis nov. gen.Typus: Tr. leucomelas nov. spec. (Paraguay).Fig. 9 und 10. Der ganze Körper mäßig schlank, stark plattgedrückt. Kopf(Fig. 9) ohne Scheitelnaht. Augen nur aus 2 Ommatidien be- 7G GÜNTHER Enderlein: Eine Dekade neuer Copeocjnatliengattiuujen. stehend, liinter denen sich eine Borste findet, das vordere ^völhtsich üb(U den Kopfrand und liegt etwas tiefer. Ocellen fehhm.liMbialtaster igliedrig. Maxillartaster ungewöhnlich groß, V-i <ler Kopf breite (oder ]jänge);Endglied schlank. Fühlerlögliedrig, die beiden Basal-glieder relativ lang, dieGeißelglieder dünn, lang undsekun(hir geringelt. Pronotumso breit wie der Kopf, 3 lap-pig. .Tergite und Sternite desMeso- und Metathorax völligverschmolzen. Vom Ab-domen sind die beiden erstenSegmente verschmolzen undkurz; die 8 ersten Segmenteverbreitern sich nach hinten/u etwas, Seiten gerade, diel)il(bn dns bnnte, schwach

 

Text Appearing After Image:

Fig. 9. TrujonosceJif(( UH leiicoineJas Enüehl.und Prothorax. Vergr. 107 Übrigen Segmente sind sehrgerundetSchenkel 9. Kopf: 1. kurz und und abgestutzt erscheinende 1 lint(Tleibsende. Allesehr br(ät, besonders der Uinterschenkel, der breit 3 eckigist (Fig. 10). Die Außenseite der Basisdes letzteren ohne Höcker. Außenborstender 1 linterschiene nicht länger als (bis1. Tarsenglied. Ifinterschiene am Endeinnen mit kurzem kraftigen Sporn. Klauenur mit 1 spitzen Zahn nnho (ha* Spitze. Stenotroctes Endekl. lUOf) unter-scheidet sich von Triyonosceliscus durchfolgendes: I linterschenk(4 wenig verbreitertund schlank; Maxillarpalpus von normalerGröße; Hinterleib lang oval; Außenborstender Hinterbeine nicht länger als (bis1. Tarsenglied.

  

Note About Images

Please note that these images are extracted from scanned page images that may have been digitally enhanced for readability - coloration and appearance of these illustrations may not perfectly resemble the original work.

De bloedrode heidelibel (Sympetrum sanguineum) is een libel uit de familie van de korenbouten (Libelludae).

 

De libel is in grote delen van zijn areaal een algemene soort die te herkennen is aan de dieprode kleur, hoewel het niet de enige libel is met een dergelijke kleuring. Het is met een vleugelspanwijdte tot 6 centimeter een middelgrote soort.

 

De bloedrode heidelibel komt voor in grote delen van Europa, waaronder België en Nederland. Het is hier een generalist die rond verschillende wateren leeft en een van de meest voorkomende heidelibellen (geslacht Sympetrum).

 

De bloedrode heidelibel komt voor in grote delen van Europa, met uitzondering van noordelijk Scandinavië. Ook in Groot-Brittannië komt de soort voor, vooral in het centrale en oostelijke deel, in het westen en noorden is de soort minder algemeen. In het verleden zijn waarnemingen bekend uit de omgeving van Glasgow. Ook in Ierland komt de soort overal in het land voor, met uitzondering van het uiterste noorden. De soort is vooral bekend uit De Burren en de Irish Midlands, de centrale vlakte van Ierland.

 

De bloedrode heidelibel is in België vrij algemeen en komt verspreid over het gehele land voor. In Nederland is de soort zeer algemeen. Het is de meest voorkomende heidelibel en zelfs één van de meer algemene soorten Nederlandse libellen. Het verspreidingsgebied strekt zich oostelijk uit tot in Siberië en in zuidelijke richting tot in noordelijk Afrika. In Afrika komt de libel plaatselijk voor. In Zuidelijk Europa, rond het Middellandse Zeegebied, ontbreekt de soort in het zuidelijk deel van het Iberisch Schiereiland, Italië en de meeste Mediterrane eilanden]

 

De habitat bestaat uit gebieden met stilstaande tot langzaam stromende wateren, er is enige tolerantie voor brakwater. Er dient voldoende onderwatervegetatie aanwezig te zijn en boven het water uitstekende planten als riet en bies, zoals mattenbies (Schoenoplectus lacustris). De larven prefereren onderwaterplanten als lisdodde Typha en paardenstaart (Equisetum).

 

De soort staat op de Rode Lijst van de IUCN als niet bedreigd, beoordelingsjaar 2007.

 

De bloedrode heidelibel dankt zijn naam aan de dieprode kleur van de mannetjes, de vrouwtjes zijn geel gekleurd. De soortnaam sanguinea betekent 'bloedrood'. In andere talen verwijst de naam ook naar de rode kleur, zoals het Engelse ruddy darter wat 'blozende libel' betekent.

 

De lichaamslengte ligt tussen 34 en 36 millimeter, de spanwijdte van de vleugels is 50 tot 60 millimeter.

 

De kop heeft twee grote facetogen die aan de bovenzijde tegen elkaar komen, dit is een onderscheid met de juffers en de rombouten. Achter de ogen is het 'achterhoofd' of occiput aanwezig. Het onderste deel van het oog is lichter. Naast samengestelde ogen die uit vele kleine oogjes of ommatidiën bestaan, heeft de libel ook drie kleine bij-oogjes of ocelli . Deze zijn klein en moeilijk zichtbaar, ze zijn tussen de samengestelde ogen gelegen. Het bovenste deel van de voorzijde van de kop wordt frons genoemd. De frons en de ogen van het mannetje zijn roodbruin van kleur, die van het vrouwtje bruin. Onder de frons is de clypeus gelegen, dit is het 'gezicht' van een insect. Bij libellen is de clypeus echter relatief klein. Onder de clypeus is de labrum gelegen; dit is de bovenlip van een insect. Het corresponderende labium of onderlip is niet te zien op de afbeelding. Wel zijn de mandibels zichtbaar, waarmee prooien worden vermalen.

 

Het borststuk is roodbruin en draagt de krachtige voor- en achtervleugels en de drie paar poten. De vleugels zijn doorzichtig en hebben geen donkere dwarsbanden zoals bij sommige soorten. Aan de vleugelbasis is een oranje kleur aanwezig, waarvan het oppervlak groter is dan bij soorten als de bruinrode en steenrode heidelibel, maar een echte oranje vlek zoals bij de geelvlekheidelibel ontbreekt. De kleur wordt veroorzaakt door een fijne oranje beharing. Het pterostigma, de gekleurde cellen van de vleugels, zijn bij mannetjes roodbruin gekleurd, bij vrouwtjes bruin. De mannetjes vallen op door hun opvallend rode lichaam, ze zijn daarom op het eerste gezicht te verwarren met andere rood gekleurde soorten zoals de vuurlibel. Van andere heidelibellen zijn zowel het mannetje als het wijfje echter relatief eenvoudig te onderscheiden door de volledig zwarte poten. De zwarte poten zijn een onderscheid met veel andere soorten die in de lengte geel gestreepte poten hebben. De gelijkende vuurlibel heeft rode poten en is hieraan te onderscheiden.

 

Het achterlijf is bij mannetjes helder rood van kleur, met kleine zwarte vlekken op de achterste segmenten van het achterlijf Ook aan de onderzijde van het achterlijf zijn zwarte vlekjes aanwezig. Het mannetje heeft een duidelijke insnoering van het achterlijf aan het vierde segment, waardoor een enigszins knotsvormige achterlijfspunt ontstaat. Het achterlijf van het vrouwtje is in eerste instantie geel van kleur maar wordt later bruingeel. Jonge mannetjes hebben een geelbruine kleur achterlijf, als ze zijn uitgekleurd, wat enkele dagen kan duren, komt de rode kleur tevoorschijn. Tot die tijd zijn ze makkelijk met vrouwtjes te verwarren. Oudere vrouwtjes kunnen soms een wat rode kleur van het achterlijf krijgen, maar nooit zo bloedrood als de mannetjes.

 

De bloedrode heidelibel kan verward worden met verschillende soorten. De mannetjes zijn bij alle soorten rood van kleur, terwijl de vrouwtjes meestal geelbruin zijn. Een uitzondering is de zwarte heidelibel, die overwegend zwart van kleur is, zowel de mannetjes als de vrouwtjes. In de onderstaande uitklapbare tabel zijn de belangrijkste verschillen opgesomd met andere bekende heidelibellen die voorkomen in westelijk Europa.

 

De levenswijze van de bloedrode heidelibel is identiek aan die van andere libellen; de larve jaagt onder water op diertjes, de volwassen libel is eveneens een rover die zijn prooien vliegend vangt maar zich voornamelijk bezighoudt met de voortplanting. De larve is meestal nachtactief terwijl de libel alleen overdag te zien is, en dan bij zonnig weer. Libellen hebben zonlicht en -warmte nodig om snel te kunnen vliegen. Als het te heet wordt neemt de libel de karakteristieke obeliskhouding aan, waarbij de lichaamspunt naar boven wordt gericht. Hierdoor vangt het lichaam minder zonlicht waardoor oververhitting van het lichaam wordt tegengegaan. Dit gedrag is wel bij andere korenbouten bekend maar niet van alle libellen.

 

De bloedrode heidelibel is een soort die pas relatief laat tevoorschijn komt en voornamelijk vliegt van juli tot oktober. De mannetjes wachten op een uit-stekende tak bij het water op een vrouwtje om te paren. Als andere mannetjes zich aandienen worden deze verjaagd. Bij de paring wordt gebruikgemaakt van een paringsrad, de paring begint in de lucht en eindigt zittend. Opmerkelijk is dat de eitjes in de regel niet in het water worden afgezet, waar de larven zich ontwikkelen, maar op de oever. Hier overwinteren de eitjes in de modder om pas het volgende jaar met een flinke regenbui worden afgevoerd naar het water. Soms worden de eitjes te ver van het water afgezet waardoor ze geen kans maken. Eitjes die in het water worden afgezet, komen waarschijnlijk nog voor de winter uit en overwinteren als larve.

 

De larve leeft een jaar onder water waarbij verschillende vervellingen worden ondergaan. In de laatste stadia worden de vleugels zichtbaar als kleine schubjes aan het achterlijf. Als de larve zich volledig heeft ontwikkeld kruipt deze op een stengel en scheurt uit zijn oude huid. Dit gebeurt van eind mei tot september, met een piek in juli en augustus.

 

De larve is net als alle libellenlarven een geduchte rover die van kleine diertjes leeft. Deze worden gevangen met het vangmasker, een uitstulpbaar deel van de kop dat twee kaken bevat. De prooien worden hiermee bliksemsnel gegrepen en leeggezogen. De larve is een belangrijke bron van voedsel voor veel grote vissen. Om aan vissen te ontkomen en prooidieren te kunnen verrassen, is de larve 's nachts actief. De volwassen libel is eveneens een carnivoor die kleine vliegende diertjes uit de lucht plukt. Deze kunnen tijdens het vliegen worden opgegeten, ook wordt wel geland om de prooi op te eten. Libellen hebben sterke kaken (mandibels) waarmee de prooi aan stukjes wordt geknipt.

 

Ook de vijanden van de bloedrode heidelibel zijn hetzelfde als die van andere libellen, vooral vogels proberen een libel uit de lucht te plukken. Ze belanden soms in een spinnenweb of worden gegrepen door insectenetende wespen zoals de hoornaar. De grootste vijand is echter de winter; als de temperaturen aan het eind van de herfst dalen sterven de libellen massaal. Libellen kunnen niet als volwassen insect overwinteren en brengen de koude

   

De bloedrode heidelibel (Sympetrum sanguineum) is een libel uit de familie van de korenbouten (Libelludae).

 

De libel is in grote delen van zijn areaal een algemene soort die te herkennen is aan de dieprode kleur, hoewel het niet de enige libel is met een dergelijke kleuring. Het is met een vleugelspanwijdte tot 6 centimeter een middelgrote soort.

 

De bloedrode heidelibel komt voor in grote delen van Europa, waaronder België en Nederland. Het is hier een generalist die rond verschillende wateren leeft en een van de meest voorkomende heidelibellen (geslacht Sympetrum).

 

De bloedrode heidelibel komt voor in grote delen van Europa, met uitzondering van noordelijk Scandinavië. Ook in Groot-Brittannië komt de soort voor, vooral in het centrale en oostelijke deel, in het westen en noorden is de soort minder algemeen. In het verleden zijn waarnemingen bekend uit de omgeving van Glasgow. Ook in Ierland komt de soort overal in het land voor, met uitzondering van het uiterste noorden. De soort is vooral bekend uit De Burren en de Irish Midlands, de centrale vlakte van Ierland.

 

De bloedrode heidelibel is in België vrij algemeen en komt verspreid over het gehele land voor. In Nederland is de soort zeer algemeen. Het is de meest voorkomende heidelibel en zelfs één van de meer algemene soorten Nederlandse libellen.[6] Het verspreidingsgebied strekt zich oostelijk uit tot in Siberië en in zuidelijke richting tot in noordelijk Afrika. In Afrika komt de libel plaatselijk voor. In Zuidelijk Europa, rond het Middellandse Zeegebied, ontbreekt de soort in het zuidelijk deel van het Iberisch Schiereiland, Italië en de meeste Mediterrane eilanden]

 

De habitat bestaat uit gebieden met stilstaande tot langzaam stromende wateren, er is enige tolerantie voor brakwater. Er dient voldoende onderwatervegetatie aanwezig te zijn en boven het water uitstekende planten als riet en bies, zoals mattenbies (Schoenoplectus lacustris). De larven prefereren onderwaterplanten als lisdodde Typha en paardenstaart (Equisetum).

 

De soort staat op de Rode Lijst van de IUCN als niet bedreigd, beoordelingsjaar 2007.

 

De bloedrode heidelibel dankt zijn naam aan de dieprode kleur van de mannetjes, de vrouwtjes zijn geel gekleurd. De soortnaam sanguinea betekent 'bloedrood'. In andere talen verwijst de naam ook naar de rode kleur, zoals het Engelse ruddy darter wat 'blozende libel' betekent.

 

De lichaamslengte ligt tussen 34 en 36 millimeter, de spanwijdte van de vleugels is 50 tot 60 millimeter.

 

De kop heeft twee grote facetogen die aan de bovenzijde tegen elkaar komen, dit is een onderscheid met de juffers en de rombouten. Achter de ogen is het 'achterhoofd' of occiput aanwezig. Het onderste deel van het oog is lichter. Naast samengestelde ogen die uit vele kleine oogjes of ommatidiën bestaan, heeft de libel ook drie kleine bij-oogjes of ocelli . Deze zijn klein en moeilijk zichtbaar, ze zijn tussen de samengestelde ogen gelegen. Het bovenste deel van de voorzijde van de kop wordt frons genoemd. De frons en de ogen van het mannetje zijn roodbruin van kleur, die van het vrouwtje bruin. Onder de frons is de clypeus gelegen, dit is het 'gezicht' van een insect. Bij libellen is de clypeus echter relatief klein. Onder de clypeus is de labrum gelegen; dit is de bovenlip van een insect. Het corresponderende labium of onderlip is niet te zien op de afbeelding. Wel zijn de mandibels zichtbaar, waarmee prooien worden vermalen.

 

Het borststuk is roodbruin en draagt de krachtige voor- en achtervleugels en de drie paar poten. De vleugels zijn doorzichtig en hebben geen donkere dwarsbanden zoals bij sommige soorten. Aan de vleugelbasis is een oranje kleur aanwezig, waarvan het oppervlak groter is dan bij soorten als de bruinrode en steenrode heidelibel, maar een echte oranje vlek zoals bij de geelvlekheidelibel ontbreekt. De kleur wordt veroorzaakt door een fijne oranje beharing. Het pterostigma, de gekleurde cellen van de vleugels, zijn bij mannetjes roodbruin gekleurd, bij vrouwtjes bruin. De mannetjes vallen op door hun opvallend rode lichaam, ze zijn daarom op het eerste gezicht te verwarren met andere rood gekleurde soorten zoals de vuurlibel. Van andere heidelibellen zijn zowel het mannetje als het wijfje echter relatief eenvoudig te onderscheiden door de volledig zwarte poten. De zwarte poten zijn een onderscheid met veel andere soorten die in de lengte geel gestreepte poten hebben. De gelijkende vuurlibel heeft rode poten en is hieraan te onderscheiden.

 

Het achterlijf is bij mannetjes helder rood van kleur, met kleine zwarte vlekken op de achterste segmenten van het achterlijf Ook aan de onderzijde van het achterlijf zijn zwarte vlekjes aanwezig. Het mannetje heeft een duidelijke insnoering van het achterlijf aan het vierde segment, waardoor een enigszins knotsvormige achterlijfspunt ontstaat. Het achterlijf van het vrouwtje is in eerste instantie geel van kleur maar wordt later bruingeel. Jonge mannetjes hebben een geelbruine kleur achterlijf, als ze zijn uitgekleurd, wat enkele dagen kan duren, komt de rode kleur tevoorschijn. Tot die tijd zijn ze makkelijk met vrouwtjes te verwarren. Oudere vrouwtjes kunnen soms een wat rode kleur van het achterlijf krijgen, maar nooit zo bloedrood als de mannetjes.

 

De bloedrode heidelibel kan verward worden met verschillende soorten. De mannetjes zijn bij alle soorten rood van kleur, terwijl de vrouwtjes meestal geelbruin zijn. Een uitzondering is de zwarte heidelibel, die overwegend zwart van kleur is, zowel de mannetjes als de vrouwtjes. In de onderstaande uitklapbare tabel zijn de belangrijkste verschillen opgesomd met andere bekende heidelibellen die voorkomen in westelijk Europa.

 

De levenswijze van de bloedrode heidelibel is identiek aan die van andere libellen; de larve jaagt onder water op diertjes, de volwassen libel is eveneens een rover die zijn prooien vliegend vangt maar zich voornamelijk bezighoudt met de voortplanting. De larve is meestal nachtactief terwijl de libel alleen overdag te zien is, en dan bij zonnig weer. Libellen hebben zonlicht en -warmte nodig om snel te kunnen vliegen. Als het te heet wordt neemt de libel de karakteristieke obeliskhouding aan, waarbij de lichaamspunt naar boven wordt gericht. Hierdoor vangt het lichaam minder zonlicht waardoor oververhitting van het lichaam wordt tegengegaan. Dit gedrag is wel bij andere korenbouten bekend maar niet van alle libellen.

 

De bloedrode heidelibel is een soort die pas relatief laat tevoorschijn komt en voornamelijk vliegt van juli tot oktober. De mannetjes wachten op een uit-stekende tak bij het water op een vrouwtje om te paren. Als andere mannetjes zich aandienen worden deze verjaagd. Bij de paring wordt gebruikgemaakt van een paringsrad, de paring begint in de lucht en eindigt zittend. Opmerkelijk is dat de eitjes in de regel niet in het water worden afgezet, waar de larven zich ontwikkelen, maar op de oever. Hier overwinteren de eitjes in de modder om pas het volgende jaar met een flinke regenbui worden afgevoerd naar het water. Soms worden de eitjes te ver van het water afgezet waardoor ze geen kans maken. Eitjes die in het water worden afgezet, komen waarschijnlijk nog voor de winter uit en overwinteren als larve.

 

De larve leeft een jaar onder water waarbij verschillende vervellingen worden ondergaan. In de laatste stadia worden de vleugels zichtbaar als kleine schubjes aan het achterlijf. Als de larve zich volledig heeft ontwikkeld kruipt deze op een stengel en scheurt uit zijn oude huid. Dit gebeurt van eind mei tot september, met een piek in juli en augustus.

 

De larve is net als alle libellenlarven een geduchte rover die van kleine diertjes leeft. Deze worden gevangen met het vangmasker, een uitstulpbaar deel van de kop dat twee kaken bevat. De prooien worden hiermee bliksemsnel gegrepen en leeggezogen. De larve is een belangrijke bron van voedsel voor veel grote vissen. Om aan vissen te ontkomen en prooidieren te kunnen verrassen, is de larve 's nachts actief. De volwassen libel is eveneens een carnivoor die kleine vliegende diertjes uit de lucht plukt. Deze kunnen tijdens het vliegen worden opgegeten, ook wordt wel geland om de prooi op te eten. Libellen hebben sterke kaken (mandibels) waarmee de prooi aan stukjes wordt geknipt.

 

Ook de vijanden van de bloedrode heidelibel zijn hetzelfde als die van andere libellen, vooral vogels proberen een libel uit de lucht te plukken. Ze belanden soms in een spinnenweb of worden gegrepen door insectenetende wespen zoals de hoornaar. De grootste vijand is echter de winter; als de temperaturen aan het eind van de herfst dalen sterven de libellen massaal. Libellen kunnen niet als volwassen insect overwinteren en brengen de koude

   

Title: Bollettino del Laboratorio di zoologia generale e agraria della R. Scuola superiore d'agricoltura in Portici

Identifier: bollettinodellab31909rscufo

Year: 1907 (1900s)

Authors: R. Scuola superiore d'agricoltura in Portici. Labora torio di zoologia generale e agraria

Subjects: Zoology; Zoology, Economic; Entomology

Publisher: Portici : E. Della Torre

Contributing Library: Smithsonian Libraries

Digitizing Sponsor: Smithsonian Libraries

  

View Book Page: Book Viewer

About This Book: Catalog Entry

View All Images: All Images From Book

 

Click here to view book online to see this illustration in context in a browseable online version of this book.

  

Text Appearing Before Image:

tJC

 

Text Appearing After Image:

Fig. 4. A - Rechtes Auge mit 2 Prosoniniatidien (1 n. II) und 5 Ommatidien (1-5) : ali, Augenliegel. VergT. 370 : 1. B - Thoracalsteniite; I. Prothoracalsternite; II + III. Sternit des Meso + Me- totliorax. Vergr. 160: 1. Formosa und Tr. transvaaiensis End. 1909 8 Ommatidien in je- dem Auge besitzen. Für die dem Larvenstadium angehörigen Ommatidien, die sich auch im Imaginalleben erhalten (hier 2 grosse Ommen' schla- ge ich den Namen Prosammatidien vor.

  

Note About Images

Please note that these images are extracted from scanned page images that may have been digitally enhanced for readability - coloration and appearance of these illustrations may not perfectly resemble the original work.